De moeder van twee minderjarige kinderen verzocht de rechtbank om een ondertoezichtstelling vanwege het risico op eerwraak en verstoting door de vader in Marokko, na afwijzing van hun verblijfsvergunningen in Nederland.
De rechtbank verklaarde de moeder niet-ontvankelijk omdat zij de Raad voor de Kinderbescherming niet eerst had verzocht een verzoek in te dienen. De Raad verzocht vervolgens om een voorlopige ondertoezichtstelling voor drie maanden, vanwege het ernstige vermoeden dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd.
De rechter oordeelde dat de kinderen, die pas recent op de hoogte zijn van hun verblijfsstatus en de dreiging van de vader, bescherming nodig hebben. De voorlopige ondertoezichtstelling werd toegewezen met aanwijzing van een uitvoerende instelling. De vader, die zowel volgens Marokkaans als Nederlands recht gezag over een van de kinderen heeft, wordt als belanghebbende aangemerkt en krijgt gelegenheid tot het geven van een zienswijze.