ECLI:NL:RBMNE:2015:5949

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 juli 2015
Publicatiedatum
7 augustus 2015
Zaaknummer
3836231 UT VERZ 15-2379
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:195 lid 1 BWArt. 4:209 lid 1 BWArt. 4:209 lid 2 BWArt. 4:211 lid 3 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing van de vereffening van een nalatenschap wegens geringe baten

Verzoekers, erfgenamen en vereffenaars van de nalatenschap van de overleden erflater, hebben bij de rechtbank Midden-Nederland verzocht om opheffing van de vereffening van de nalatenschap op grond van artikel 4:209 lid 1 BW Pro. De nalatenschap bleek negatief te zijn, met een resterende schuld aan de Rabobank van €103.252,25 na verkoop van onroerend goed.

De kantonrechter heeft verzoekers verzocht nadere informatie te verstrekken en heeft de boedelbeschrijving ter inzage gelegd conform artikel 4:211 lid 3 BW Pro. Verzoekers hebben tevens verzocht om ontheffing van de verplichting tot inzagelegging, wat aanvankelijk werd afgewezen.

Het verzoek om vaststelling van de vereffeningskosten is afgewezen omdat de wet alleen voorziet in het vaststellen van het loon van een door de rechtbank benoemde vereffenaar, niet van erfgenamen die als vereffenaars optreden. Verzoekers hebben geen aanvullend verzoek ingediend.

De kantonrechter heeft daarom de opheffing van de vereffening bevolen vanwege de geringe baten en bepaald dat de opheffing in het boedelregister wordt ingeschreven. Het verzoek om vaststelling van vereffeningskosten is afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De opheffing van de vereffening van de nalatenschap wordt bevolen en het verzoek om vaststelling van vereffeningskosten wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 3836231 UT VERZ 15-2379
Beschikking d.d. 28 juli 2015
Inzake het verzoek van
[verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 3] , [verzoeker 4] , [verzoeker 5] en [verzoeker 6] ,
gemachtigde:
mr. J. Beumer-de Lange, werkzaam, bij
De Lange & Kortland netwerk notarissen,
gevestigd te Putten,
verder te noemen verzoekers.
Verzoekers hebben het verzoek gedaan hun hoedanigheid van vereffenaars in de nalatenschap van:
[erflater] ,geboren te [geboorteplaats] op [1916] , overleden te [woonplaats] op [2012] , laatst gewoond hebbende te [woonplaats] , verder te noemen erflater.

De procedure

Uit de brief van 4 februari 2015 van verzoekers leidt de kantonrechter af dat op grond van artikel 4:209 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht wordt de opheffing van de vereffening van de nalatenschap van erflater te bevelen.
Bij brieven van 24 februari 2015 en 30 maart 2015 heeft de kantonrechter verzoekers gevraagd om nadere informatie toe te sturen.
Bij brief van 7 april 2015 vragen verzoekers ontheffing van de verplichting om de boedelbeschrijving ter inzage te leggen op grond van artikel 4:211 lid 3 BW Pro. De kantonrechter heeft bij brief van 17 april 2015 bericht het voornemen te hebben om dat verzoek af te wijzen omdat de nalatenschap van erflater negatief is.
Vervolgens hebben verzoekers bij brief van 30 april 2015 gevraagd de boedelbeschrijving ter inzage te leggen en over te gaan tot opheffing van de vereffening.
Bij brief van 13 mei 2015 is verzoekers bericht dat de kantonrechter het voornemen heeft om het verzoek tot opheffing van de vereffening toe te wijzen. Verzoekers zijn in de gelegenheid gesteld om het verzoek nader aan te vullen danwel te wijzigen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
De boedelbeschrijving heeft conform de verplichting op grond van artikel 4:211 lid 3 BW Pro ter inzage gelegen op griffie van deze rechtbank van 26 mei 2015 tot 7 juli 2015.

De overwegingen van de kantonrechter

De kantonrechter zal de opheffing van de vereffening van de nalatenschap van erflater bevelen gelet op de geringe waarde van de baten van de nalatenschap. Uit de stukken blijkt namelijk dat na de verkoop van het onroerend goed een schuld aan de Rabobank van
€ 103.252,25 resteert.
Verzoekers hebben bij brief van 4 februari 2015 gevraagd de vereffeningskosten vast te stellen. Hierop is bij brief van 24 februari 2015 door de kantonrechter bericht dat geen concreet bedrag is genoemd waarop wordt verzocht de vereffeningskosten vast te stellen. In die brief zijn verzoekers er ook op gewezen dat de kosten van werkzaamheden die zijn uitgevoerd namens de erfgenamen die op grond van artikel 4:195 lid 1 BW Pro vereffenaars zijn, geen vereffeningskosten als bedoeld in de zin van artikel 4:209 lid 2 BW Pro zijn. De wet biedt namelijk alleen de mogelijkheid om het loon van de door de rechtbank benoemde vereffenaar vast te stellen. Er is geen wettelijke grondslag voor het vaststellen van het loon van de erfgenamen die vereffenaars zijn op de vereffeningswerkzaamheden uit te voeren, althans deze werkzaamheden uit te besteden. Verzoekers zijn in de gelegenheid gesteld het verzoek aan te vullen. Hiervan is echter geen gebruik gemaakt. Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter het verzoek om de vereffeningskosten vast te stellen afwijzen.
Nu de beneficiaire aanvaarding door de erfgenamen geen publicatieplicht met zich heeft meegebracht (in de Staatscourant of nieuwsbladen) kan worden volstaan met de inschrijving van de opheffing in het boedelregister.

De beslissing

De kantonrechter:
beveelt de opheffing van de vereffening van de nalatenschap van
[erflater] ,geboren te [geboorteplaats] op [1916] , overleden te [woonplaats] op [2012] , laatst gewoond hebbende te [woonplaats] ;
bepaalt dat de opheffing van de vereffening van de nalatenschap dient te worden ingeschreven in het boedelregister;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.T. van Rens, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing kan binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend..