AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek vaststelling vereffeningskosten en griffiekosten nalatenschap
Verzoekers, erfgenamen en vereffenaars van de nalatenschap van de in 2007 overleden erflater, hebben bij de rechtbank Midden-Nederland een verzoek ingediend tot vaststelling van de vereffeningskosten conform artikel 4:209 BWPro en om griffiekosten ten laste van de Staat toe te wijzen.
De kantonrechter heeft verzoekers meerdere malen in de gelegenheid gesteld hun verzoeken toe te lichten en aan te vullen. Verzoekers handhaafden hun verzoeken, waaronder ook het verzoek tot opheffing van de vereffening van de nalatenschap.
De kantonrechter overweegt dat de vereffeningswerkzaamheden op de erfgenamen rusten en dat kosten van professionele hulp niet als vereffeningskosten ten laste van de nalatenschap kunnen worden gebracht. Ook de griffiekosten dienen uit de baten van de nalatenschap te worden voldaan. Gezien de geringe waarde van de baten beveelt de kantonrechter de opheffing van de vereffening en wijst de verzoeken tot vaststelling van kosten af.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Verzoek tot vaststelling van vereffeningskosten en griffiekosten wordt afgewezen; opheffing van de vereffening van de nalatenschap wordt bevolen.
gemachtigde: mr. C. Krijger, werkzaam bij Hoekstra & Partners Notarissen,
gevestigd te Leeuwarden,
verder te noemen verzoekers.
Verzoekers treden op in hun hoedanigheid van erfgenamen tevens vereffenaars in de nalatenschap van:
[erflater] ,geboren te [geboorteplaats] (Korea) op [1971] , overleden te [woonplaats] op [2007] , laatst gewoond hebbende te [woonplaats] , verder te noemen erflater.
De procedure
Bij brief van 30 april 2015 vragen verzoekers onder andere om de vereffeningskosten vast te stellen overeenkomstig artikel 4:209 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW) en de aan dat verzoek verbonden griffierechten ten laste van de Staat te doen toekomen.
Bij brief van 3 juni 2015 heeft de kantonrechter verzoekers bericht het voornemen te hebben om de verzoeken af te wijzen. Verzoekers zijn in die brief in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord en het verzoek aan te vullen danwel te wijzigen.
Bij brief van 11 juni 2015 hebben verzoekers hun verzoek aangevuld, in die zin dat zij de kantonrechter ook vragen om de opheffing van de vereffening van de nalatenschap van erflater te bevelen. Voorts leidt de kantonrechter uit die brief af dat verzoekers de verzoeken zoals gedaan bij brief van 30 april 2015 handhaven.
Bij brief van 26 juni 2015 heeft de kantonrechter verzoekers bericht het voornemen te hebben om het verzoek tot opheffing van de vereffening toe te wijzen en de verzoeken voor het overige af te wijzen. Verzoekers zijn in die brief wederom in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord en het verzoek aan te vullen danwel te wijzigen. Hiervan is door verzoekers geen gebruik gemaakt.
De boedelbeschrijving heeft conform de verplichting op grond van artikel 4:211 lid 3 BWPro ter inzage gelegen op griffie van deze rechtbank van 11 juni 2015 tot 23 juli 2015.
De overwegingen van de kantonrechter
De kantonrechter zal de opheffing van de vereffening van de nalatenschap van erflater bevelen gelet op de geringe waarde van de baten van de nalatenschap.
Nu de beneficiaire aanvaarding door de erfgenamen geen publicatieplicht met zich heeft meegebracht (in de Staatscourant of nieuwsbladen) kan worden volstaan met de inschrijving van de opheffing in het boedelregister.
Verzoekers vragen om de vereffeningskosten vast te stellen op € 1.336,06. Hiervoor wordt verwezen naar de toegestuurde declaratie bij brief van 30 april 2015. De kantonrechter overweegt als volgt. Uit artikel 4:195 BWPro juncto 4:211 BW volgt dat de vereffeningswerkzaamheden op de erfgenamen zelf rusten. Als zij deze werkzaamheden door een professional laten uitvoeren, bijvoorbeeld omdat zij deze zelf niet kunnen uitvoeren, kunnen de kosten hiervoor niet als vereffeningskosten ten laste van de nalatenschap worden gebracht. Hiervoor is namelijk geen wettelijke grondslag. Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter het verzoek om de vereffeningskosten op € 1.336,06 vast te stellen afwijzen.
Voorts wordt gevraagd om de griffiekosten van het verzoek tot opheffing van de vereffening ten laste van de Staat te doen toekomen. De kantonrechter overweegt dat indien de erfgenamen/vereffenaars de vereffening willen laten opheffen, zij hiervoor op grond van artikel 4:209 BWPro een verzoek moeten indienen bij de kantonrechter. Hiervoor is hoe dan ook griffierecht verschuldigd. Daarom oordeelt de kantonrechter dat deze griffiekosten als vereffeningskosten ten laste van de nalatenschap dienen te komen indien deze kosten uit de baten daarvan kunnen worden voldaan. Nu uit de toegestuurde boedelbeschrijving blijkt dat de griffierechten voor dit verzoek uit de baten kunnen worden voldaan, zal de kantonrechter het verzoek afwijzen.
Gelet op het voorgaande beslist de kantonrechter als volgt.
De beslissing
De kantonrechter:
beveelt de opheffing van de vereffening van de nalatenschap van: [erflater] ,geboren te [geboorteplaats] (Korea) op [1971] , overleden te [woonplaats] op [2007] , laatst gewoond hebbende te [woonplaats] .;
bepaalt dat de opheffing van de vereffening van de nalatenschap dient te worden ingeschreven in het boedelregister;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.T. van Rens, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2015, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. R.H.M. den Ouden.
Tegen deze beslissing kan binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend..