AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing wrakingsverzoek tegen bestuursrechter wegens vermeende vooringenomenheid
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen bestuursrechter mr. L.C. Michon wegens vermeende persoonlijke vooringenomenheid. Hij stelde dat de rechter negatieve beslissingen nam voorafgaand aan de zitting en instructies gaf aan de griffie om contact met hem te vermijden en vijandig te bejegenen. De rechter heeft dit verweer weersproken en verklaard dat zij slechts heeft gevraagd om verzoeker te informeren dat vragen tijdens de zitting behandeld zouden worden.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 6 EVRMPro en artikel 8:15 AwbPro, waarbij het uitgangspunt is dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aantonen. De kamer concludeerde dat de feiten zoals weergegeven in het proces-verbaal en het verweer van de rechter geen zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid bevatten.
Daarmee is het wrakingsverzoek afgewezen. De procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond vóór de schorsing vanwege het wrakingsverzoek. De beslissing is gegeven door drie rechters en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2015.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen bestuursrechter Michon wordt afgewezen wegens gebrek aan zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.
Uitspraak
beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Lelystad
zaaknummer / rekestnummer: C/16/394470 / HA RK 15-144
beslissing van 7 augustus 2015 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek in de zin van artikel 8:15 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
gemachtigde mr. M.G.J. Smit.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van 15 juni 2015
de e-mail van 16 juni 2015 van verzoeker met daarin de schriftelijke toelichting op het verzoek tot wraking
de schriftelijke reactie van 17 juni 2015 van mr. L.C. Michon
de e-mail van 19 juni 2015 van verzoeker
de e-mail van 26 juni 2015 van het secretariaat van de wrakingskamer aan verzoeker
de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 24 juli 2015.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling is niemand verschenen.
2.Het wrakingsverzoek
2.1.
Het verzoek is gericht tegen mr. L.C. Michon als bestuursrechter in de procedure tussen verzoeker en het bestuur van de Raad voor de Rechtsbijstand.
2.2.
Verzoeker heeft aangevoerd dat de bestuursrechter jegens hem persoonlijk vooringenomen is. Zij heeft deze persoonlijke vooringenomenheid volgens verzoeker gedemonstreerd door al voor de terechtzitting van 15 juni 2015 voor verzoeker negatieve beslissingen te nemen. Volgens verzoeker heeft de bestuursrechter de griffie van de afdeling bestuursrecht geïnstrueerd om (telefonisch) contact met verzoeker ‘af te kappen en te vermijden’. Daarnaast heeft deze bestuursrechter toegestaan dat verzoeker door de griffie van de afdeling bestuursrecht ‘zeer vijandig en tot het onbeschofte aan’ is bejegend en heeft zij er voor gezorgd dat een belverbod nogmaals werd benadrukt door de afdeling bestuursrecht, aldus verzoeker.
2.3.
Mr. Michon heeft niet berust in de wraking. Zij heeft aangegeven dat zij de griffie heeft gevraagd om verzoeker, de eerstvolgende keer dat hij zou bellen, door te geven dat hij niet meer moest bellen over de te behandelen zaken en dat zijn vragen op de zitting zouden worden besproken.
De bestuursrechter is van mening daarmee geen blijk van vooringenomenheid te hebben gegeven. Datzelfde geldt volgens de bestuursrechter voor haar handelen en opmerkingen ter zitting.
3.De beoordeling
3.1.
Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm gegeven door artikel 6 EVRMPro en door artikel 8:15 AlgemenePro Wet Bestuursrecht, dit alles in samenhang met de door de Hoge Raad en de door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Uitgangspunt is dat een ieder recht heeft op een behandeling van zijn zaak door een onpartijdige rechter. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien objectief bepaalde feiten of omstandigheden de rechtzoekende grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.
3.2.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.
3.3.
De rechter heeft volgens het proces-verbaal van de zitting van 15 juni 2015 aan de administratie gevraagd om aan verzoeker door te geven dat zijn vragen op die zitting zouden worden behandeld. De wrakingskamer heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze weergave van de feitelijke gang van zaken. (Ook) in haar verweer geeft de rechter aan dat zij de medewerkster heeft gevraagd om aan verzoeker door te geven dat hij nu niet meer moest bellen over de te behandelen zaken en dat het verder op de zitting zou worden besproken. Anders dan verzoeker stelt, heeft de rechter daarmee geen partijdige en/of vijandige positie ingenomen jegens hem. Uit hetgeen door verzoeker naar voren is gebracht blijkt dan ook niet van uitzonderlijke omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het vermoeden van vooringenomenheid.
3.4.
Het verzoek zal worden afgewezen.
4.De beslissing
De rechtbank
4.1.
wijst het verzoek tot wraking van mr. Michon af,
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker en mr. Michon, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Bestuursrecht en de president van deze rechtbank,
4.3.
bepaalt dat de procedure met zaaknummers UTR 15/50, 15/22, 15/52, 15/45, 15/48 en 15/47 dient te worden voorgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. A. van Holten, mr. drs. S.M. van Lieshout en mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2015.