Eiseres, Menzis Zorgverzekeraar N.V., vordert betaling van een hoofdsom, wettelijke rente en vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van gedaagde. Gedaagde verschijnt niet in de procedure, waarna verstek wordt verleend. De kantonrechter acht de hoofdsom en rente terecht gevorderd en wijst deze toe.
De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen omdat niet is aangetoond dat in de aanmaningsbrief een betalingstermijn van 14 dagen is gesteld, zoals vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BWPro. De kantonrechter benadrukt dat de termijn van 14 dagen gaat lopen vanaf de dag na ontvangst van de aanmaning, en dat de schuldeiser de datum van ontvangst kan waarborgen door aangetekende verzending.
De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom en rente, alsmede de proceskosten aan de zijde van eiseres. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van hoofdsom en rente, maar vergoeding buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen wegens ontbreken betalingstermijn in aanmaning.
in de zaak met zaaknummer / rolnummer 4310860 / LC EXPL 15-2848 van
de naamloze vennootschap MENZIS ZORGVERZEKERAAR N.V., gevestigd te Wageningen, eiseres, gemachtigde LAVG Gerechtsdeurwaarders Groningen,
tegen
[gedaagde], wonende te [woonplaats] , gedaagde, niet verschenen.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding.
2.De overwegingen
2.1.
De eisende partij heeft een vordering ingesteld.
De gedaagde partij heeft niet (tijdig) geantwoord en evenmin uitstel gevraagd, zodat tegen deze verstek is verleend.
2.2.
De gevorderde hoofdsom en wettelijke rente komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen worden toegewezen.
2.3.
De eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu niet gebleken is dat in de aanmaning aan de gedaagde partij een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BWPro.
2.4.
De kantonrechter overweegt met betrekking tot de aanvang van de termijn van 14 dagen het volgende. Ingevolge artikel 6:96 lid 6 BWPro is een consument de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten pas verschuldigd nadat de schuldenaar na het intreden van het verzuim, bedoeld in artikel 6:81 BWPro, onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling, waaronder de vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten die volgens de nadere regels als bedoeld in lid 5 van artikel 96 BWPro worden gevorderd, vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van 14 dagen, aanvangende de dag na aanmaning. De termijn van 14 dagen begint te lopen vanaf de dag na ontvangst van de aanmaningsbrief door de schuldenaar. Als de schuldeiser een discussie over de datum van ontvangst van de aanmaningsbrief en daarmee de datum waarop de termijn van 14 dagen gaat lopen, wil voorkomen kan de schuldeiser er voor kiezen om de aanmaningsbrief op een zodanige wijze te versturen (bijvoorbeeld aangetekend) dat over de datum van ontvangst van de aanmaningsbrief geen twijfel meer bestaat. (Hof Den Haag 7 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1896)
2.5.
De gedaagde partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.
De kosten aan de zijde van de eisende partij worden begroot op:
- dagvaarding € 96,16
- griffierecht € 116,00
- salaris gemachtigde € 30,00(1 punt(en) x tarief € 30,00)
Totaal € 242,16.
3.De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij tegen bewijs van kwijting te betalen € 62,17, vermeerderd met de wettelijke rente over € 58,89 vanaf 26 juni 2015 tot de voldoening;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de eisende partij, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 242,16, waarin begrepen € 30,00 aan salaris gemachtigde;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Bongers en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2015.