De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 2 februari 2015 de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde, die was veroordeeld voor medeplegen van handel in merkvervalste horloges. De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag van €164.401,20, later gewijzigd tot €57.426,32 per veroordeelde.
De verdediging voerde aan dat het dossier onoverzichtelijk was en betwistte de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, stellende dat alleen de handel in merkvervalste Ice-Watch horloges strafbaar was en dat de winst aanzienlijk lager moest worden vastgesteld. De rechtbank achtte het dossier echter voldoende duidelijk en baseerde haar berekening op het proces-verbaal van 4 juli 2013.
De berekening hield rekening met het totaalbedrag aan stortingen, de gemiddelde inkoop- en verkoopprijzen, en het aantal in beslag genomen horloges. De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €62.314,63, waarvoor de veroordeelde hoofdelijk aansprakelijk is samen met zijn mededader. De rechtbank legde de verplichting op tot betaling van dit bedrag aan de Staat.
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en beoogt het materiële profijt dat de veroordeelde uit het misdrijf heeft verkregen, te ontnemen. De uitspraak werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland te Utrecht.