Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De beoordeling
3.Toepasselijke wettelijke voorschriften
4.De beslissing
€ 71.562,50.
€ 71.562,50.
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 3 augustus 2015 de ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die eerder werd veroordeeld voor medeplegen van cocaïnehandel tussen 2 januari 2014 en 10 april 2015. De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk €61.637,50, later gewijzigd naar €71.562,50.
De verdediging stelde dat de veroordeelde slechts een beperkte rol had en een bedrag van €2.500,- had verdiend. De rechtbank verwierp dit standpunt op basis van bewijsmiddelen uit het strafdossier en het vonnis van 3 augustus 2015, waarin de rol van de veroordeelde werd bevestigd.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel was gebaseerd op analyse van drie telefoonnummers die de veroordeelde gebruikte, waarbij 5.731 unieke contacten werden vastgesteld. Uit verklaringen en tapgesprekken bleek dat per contact minimaal een wikkel van 0,5 gram cocaïne werd verkocht tegen €25,- per stuk. Dit leidde tot een omzet van €143.275,-. Aftrek van 50% inkoopkosten en eenmalige kosten van €75,- resulteerde in een wederrechtelijk voordeel van €71.562,50.
De rechtbank legde de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en is genomen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Midden-Nederland.
Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €71.562,50 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat.