ECLI:NL:RBMNE:2015:7973
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot verschoning van politierechter wegens mogelijk gebrek aan onpartijdigheid
In deze zaak heeft de politierechter verzocht zich te mogen verschonen van de behandeling van een strafzaak tegen de heer A, die wordt verdacht van bedreiging van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, mr. B, die tevens de aangever is. De politierechter stelt dat hij in zijn eerdere functie als bestuursrechter persoonlijk contact heeft gehad met mr. B, wat de schijn van partijdigheid kan wekken.
De verschoningskamer heeft op basis van artikel 517 Sv Pro en artikel 512 Sv Pro beoordeeld of de rechterlijke onpartijdigheid in het geding is. De kamer benadrukt dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigen.
Gezien het persoonlijke contact tussen verzoeker en mr. B en het feit dat mr. B de aangever is, oordeelt de kamer dat er een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat dat de politierechter niet onpartijdig zou zijn. Daarom dient de politierechter zich van de zaak te onthouden en moet de zaak door een andere politierechter worden behandeld.
De verschoningskamer verklaart het verzoek tot verschoning gegrond en draagt zorg voor de communicatie van deze beslissing aan alle betrokken partijen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de politierechter wordt gegrond verklaard vanwege objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.