De rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor uitkeringsfraude gepleegd in de periode van 1 mei 2005 tot en met 29 juli 2012. Verdachte heeft bewust nagelaten om inkomsten en werkzaamheden te melden terwijl hij uitkeringen ontving op grond van de Werkloosheidswet en de Ziektewet.
De bewijsvoering bestond uit diverse proces-verbalen, onder meer een werknemersfraudeproces-verbaal, Suwinet-gegevens, aanvraagformulieren voor WW-uitkering en het verhoor van verdachte. Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend, waardoor de rechtbank volstond met een opsomming van bewijsmiddelen.
De rechtbank oordeelde dat verdachte opzettelijk en meermalen de benodigde gegevens niet tijdig heeft verstrekt, waardoor hij zichzelf heeft bevoordeeld. Gelet op de ernst van het feit, de lange duur van de fraude en het aanzienlijke benadelingsbedrag, achtte de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Verdachte had geen eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten, wat meewoog in de strafmaat. Uiteindelijk werd een gevangenisstraf van 4 maanden opgelegd, lager dan de eis van 6 maanden.