Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2015 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Bestuursrecht 1van L.J.A. Damen e.a., stelt, betekent niet dat in dit geval geen sprake is van een algemeen verbindend voorschrift. Zoals ook in dat handboek besproken moet het gaan om iedereen die onder de normcondities valt, in dit geval dus iedereen die advocaat is. Dat men niet zo maar kan toetreden tot die beroepsgroep betekent niet dat daarom een regel die geldt voor advocaten geen algemeen verbindend voorschrift kan zijn. Waar het bij dit vereiste om gaat is dat een algemeen verbindend voorschrift moet worden onderscheiden van een beschikking die zich richt tot één of een specifiek te bepalen groep personen. Artikel 2.26 van de Voda richt zich tot iedereen die voorgaande jaren, dit jaar en toekomstige jaren advocaat is en dat is geen specifiek te bepalen groep. Dat is niet anders dan bij algemeen verbindende voorschriften voor inwoners van een gemeente, automobilisten, etc. Dat zijn alle regels die zich op enig moment richten tot een afgebakende groep mensen, maar op een ander moment zich richten tot een weer anders samengestelde groep. Dat maakt dat het ook hier gaat om een "open groep" zoals eiser bedoelt.
vastgesteldebedragen door het college van afgevaardigden, maar over het
voorstelom die bedragen vast te stellen door de algemene raad. Uit de besluitvorming volgt dat op dit punt noch een voorstel is gedaan, noch een besluit is genomen. Dit artikel biedt eiser dus geen soelaas. Bovendien gaat artikel 2.27, eerste lid, aanhef en onder b, van de Voda, over de duur van de inschrijving niet over de gedeelten van het jaar, maar over de duur van het aantal jaren waarvoor advocaatstagiaires worden ingedeeld in categorie 2 (dus het lagere tarief). Deze lezing van artikel 2.27 van de Voda is weliswaar niet direct zichtbaar, maar past gelet op de uitleg van verweerder, wel in de systematiek waarvoor hij heeft gekozen. Conclusie is dat binnen de Voda geen ruimte bestaat om af te wijken van het jaarbedrag op grond van kortere inschrijving dan een heel jaar.
zelfmeer ruimte biedt om af te wijken van artikel 2.26 van de Voda dan verweerder aanneemt en dat standpunt is hiervoor onjuist geoordeeld, maar de verplichting van de bestuursrechter om beroepsgronden ruim naar hun strekking uit te leggen, brengt mee dat de rechtbank ook moet bezien of de Voda op dit punt onverbindend is, wat ook de door eiser op dit punt bepleite uitkomst zou bewerkstelligen.
feitelijkricht tegen de Voda, in het bijzonder tegen artikel 2.26 daarvan, betekent niet dat het primaire besluit, het besluit van 26 januari 2015, niet langer object van geschil in bezwaar is. In het kader van de beoordeling van het bezwaar tegen dat besluit moet verweerder dan beoordelen of artikel 2.26 van de Voda wel of niet moet worden toegepast. Dat is de zogeheten exceptieve toetsing. Als hij in het kader van die exceptieve toetsing tot het oordeel komt dat artikel 2.26 van de Voda wel moet worden toegepast, is het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond. Verweerder heeft dus de juiste redenering gevolgd, maar is tot de verkeerde conclusie over de uitkomst van het bezwaar gekomen. Overigens is ook strijdig met verweerders redenering dat het bestreden besluit is genomen door de algemene raad (degene die het primaire besluit heeft vastgesteld); als hij meent dat het bezwaar ook formeel is gericht tegen artikel 2.26 van de Voda, had hij het bezwaarschrift moeten doorsturen naar het college van afgevaardigden (degene die de Voda heeft vastgesteld). Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is in bezwaar over het algemeen het dictum van de beslissing op bezwaar niet zo van belang. Toch hecht de rechtbank er in dit geval aan. In artikel 7:11, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag van het bezwaar heroverweging plaatsvindt. Die ontvankelijkheid is dus, zoals ook eiser terecht zegt, een toegangseis. Verweerder heeft hier ten onrechte die toegangseis gehanteerd en het bezwaar (kennelijk) niet-ontvankelijk geacht. Hij had echter het bezwaar wel ontvankelijk moeten achten, vervolgens met een vrijwel gelijke redenering als hij heeft gehanteerd de exceptieve toetsing moeten toepassen en in dat kader tot de conclusie moeten komen dat het primaire besluit niet op grond van artikel 7:11, tweede lid, van de Awb behoefde te worden herroepen en te worden vervangen door een ander besluit.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;