Uitspraak
[eiser sub 1],
[eiseres sub 2],
De procedure
De feiten
Rechtbank Midden-Nederland
In deze civiele zaak staat een geschil centraal tussen verhuurder en huurder van horecaruimte, waarbij onduidelijkheid bestaat over wie als contractspartij moet worden aangemerkt na wijziging van de bedrijfsstructuur.
De oorspronkelijke huurovereenkomst werd gesloten met een vennootschap onder firma (VOF), die in 2011 is opgehouden te bestaan en waarvan de activiteiten zijn voortgezet door een besloten vennootschap (BV). De vraag is of sprake is van een geldige contractsoverneming volgens artikel 6:159 BW Pro, waarbij niet alleen een akte vereist is maar ook de medewerking van de huurder.
Partijen hebben onvoldoende duidelijkheid verschaft over de inbreng van de VOF in de BV en de mededeling en instemming van de huurder met de contractsoverneming. De kantonrechter wijst partijen aan om binnen twee weken nadere inlichtingen te verstrekken over de rechtsverhouding, facturering en betalingen, waarna de zaak wordt voortgezet op rolzittingen in april 2015.
De kantonrechter houdt verdere beslissing aan en verwijst de zaak naar een rolzitting voor nadere behandeling.
Uitkomst: De kantonrechter houdt de beslissing aan en wijst partijen aan om nadere inlichtingen te verstrekken over de contractsoverneming en rechtsverhouding.