Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Voor zover de hiervoor onder 1. genoemde toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij een beslissing in die procedure. Aan de voorzieningenrechter ligt ter beoordeling voor of op voorhand aanleiding bestaat om te oordelen dat het bestreden besluit in de heroverweging in bezwaar niet in stand zal kunnen blijven.
3. De voorzieningenrechter verwijst voor de relevante feiten en omstandigheden naar de uitspraak van de rechtbank van heden met nummer UTR 14/3158.
4. Verzoekster heeft aan haar verzoek om handhaving van 26 april 2015 ten grondslag gelegd dat in de periode van oktober 2014 tot en met mei 2015 evenementen op Fort Uitermeer plaatsvinden, bestaande uit een discofeest, een vuurwerkevenement, 50 kinderen die een nacht op het terrein kamperen en schoolklassen die het terrein bezoeken. Voorts heeft verzoekster verweerder verzocht handhavend op te treden tegen in maart 2014 verrichte baggerwerkzaamheden op de locatie van de sloepenhaven, in juli 2014 verrichte werkzaamheden aan omliggende sloten van het weiland waar de parkeerplaats is voorzien en aan op het terrein aanwezige anti-inbraakverlichting.
5. Verweerder heeft het verzoek om handhaving afgewezen en daaraan ten grondslag gelegd dat verzoekster onvoldoende aannemelijk en concreet heeft gemaakt dat sprake is van overtredingen van in de Ffw neergelegde verboden.
6. Verzoekster verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende een verbod op het uitvoeren van voorgenomen werkzaamheden in het kader van de herinrichting van Fort Uitermeer. In dat verband voert verzoekster aan dat de bij besluit van
24 april 2015 verleende ontheffing ingevolge de Ffw ten onrechte is verleend. Tevens is volgens verzoekster voor de uitvoering van het project ook een ontheffing nodig van in de artikelen 9 en 10 van de Ffw neergelegde verboden voor andere dier- en plantensoorten. Voorts zijn niet alle werkzaamheden in het kader van de herinrichting van Fort Uitermeer in de beoordeling van de ontheffing meegenomen. Nu de reikwijdte van de verleende ontheffing te beperkt is, is sprake van een dreigende overtreding van de verbodsbepalingen van de Ffw.
7. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek om een voorlopige voorziening, anders dan het initiële verzoek om handhaving van 26 april 2015, niet ziet op de in het verzoek om handhaving genoemde evenementen, zodat de voorzieningenrechter geen aanleiding heeft daar een oordeel over te geven.
8. Voor zover het verzoek om een voorlopige voorziening ziet op de voorgenomen werkzaamheden in het kader van de herinrichting van Fort Uitermeer overweegt de voorzieningenrechter dat de rechtbank in de uitspraken van heden met nummers
UTR 14/3158 en UTR 15/3998 over deze gronden een beslissing heeft gegeven. Gelet op de uitspraken van de rechtbank in deze zaken, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen wat betreft de voorgenomen werkzaamheden in het kader van de herinrichting van Fort Uitermeer.
9. Voorts ziet het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster op in 2014 verrichte baggerwerkzaamheden in de gracht op de locatie van de sloepenhaven en werkzaamheden aan de omliggende sloten van het weiland waar de parkeervoorziening is voorzien.
10. Wat betreft de in 2014 verrichte (bagger)werkzaamheden in de gracht en aan de omliggende sloten van het weiland is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoekster onvoldoende concreet en aannemelijk heeft gemaakt dat een onmiskenbare overtreding van de verbodsbepalingen van de Ffw heeft plaatsgevonden. In dat kader overweegt de voorzieningenrechter dat voor de conclusie dat sprake is van een overtreding van de verbodsbepalingen van de Ffw als gevolg van reeds verrichte werkzaamheden de enkele stelling dat een bepaalde activiteit heeft plaatsgevonden onvoldoende is. Weliswaar blijkt uit het Activiteitenplan (p. 30) dat als gevolg van het uitbaggeren van de sloepenhaven door Waternet vermoedelijk leefgebied van vissensoorten is aangetast, maar hieruit volgt niet dat sprake is van een onmiskenbare overtreding van de verbodsbepalingen van de Ffw. In hetgeen verzoekster overigens heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter ook geen aanknopingspunten voor een dergelijke overtreding.
11. Voor zover het verzoek om een voorlopige voorziening ziet op de op het terrein aanwezige anti-inbraakverlichting verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak van de rechtbank van heden met nummer UTR 14/3158.
12. Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter op voorhand geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat het bestreden besluit in de heroverweging in bezwaar niet in stand zal kunnen blijven. Er is dus geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.
13. Ter voorlichting van partijen overweegt de voorzieningenrechter nog als volgt. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster betoogd dat de voorzieningenrechter in de uitspraak van 21 juli 2014 heeft bepaald dat de werkzaamheden in het kader van de herinrichting van Fort Uitermeer niet mogen worden verricht tot en met zes weken na de uitspraak in de zaak met nummer UTR 14/3158. Zij vroeg ter zitting hoe dit zich verhoudt tot de in het verkort-procesverbaal van de zitting van 10 september 2015 vastgelegde afspraak dat derde-partij tot en met twee weken na de zitting van 16 oktober 2015 geen werkzaamheden zal verrichten.
De voorzieningenrechter constateert dat in de uitspraak van 21 juli 2014, bij wijze van voorlopige voorziening, is bepaald dat met ingang van 7 juli 2014 door of in opdracht van derde-partij geen werkzaamheden mogen plaatsvinden ter realisering van het parkeerterrein op het weiland naast Fort Uitermeer en van de sloepenhaven, totdat op het beroep met nummer UTR 14/3158 is beslist. Bij uitspraak van heden is op dit beroep beslist. In het verkort-procesverbaal van de zitting van 10 september 2015 is bij wijze van overbrugging tussen twee zittingen vastgelegd dat derde-partij tot en met twee weken na de zitting van
16 oktober 2015 geen werkzaamheden verricht. Voor de lezing van de gemachtigde van verzoekster is dus geen steun te vinden in de processtukken.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.