Bij e-mail van 25 maart 2010 heeft de echtgenoot van [eiseres] aan [gedaagde sub 1] -onder meer- geschreven dat [eiseres] (privé) een vordering heeft van € 116.236,13, exclusief rente en kosten vanaf maart 2006 en dat zij deze vordering, met een voorrangsregeling, in een notariële akte opgenomen wil hebben. Hierop heeft [gedaagde sub 1] geantwoord, bij e-mail van dezelfde datum:
“(…) Over de vordering van [voornaam eiseres] heb ik een andere vraag, hoe kom je in godsnaam aan
een vordering van ruim 116 duizend euro? De inbreng van [voornaam eiseres] is ooit geweest 53.663,-
(Hfl. 118.258) afkomstig uit 2e hypotheek [straatnaam] en 13.613 (Hfl. 30.000) afkomstig uit
krediet postbank. In totaal 67.276,-. Hierop is in september 2005 een bedrag van 12.000
ineens afgelost, waardoor daarmee het uitstaande bedrag op 55.276 is gekomen. De door
jou aangegeven som is meer dan twee keer zo veel???
Ons leven ligt al op straat en we hebben al heel veel met de billen bloot gemoeten, wij
vinden het echt vervelend als het kleine familiegeheim van ons met [voornaam eiseres] nu ook bij die
gestropdaste struikrovers op tafel ligt. Spanje is iets wat nooit ergens in wat voor zakelijk
iets genoemd zou moeten worden, slechts onderling in de familie. (…)”