Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en verdachte) op
de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 4] en verdachte) op 5 februari 2015 waarin [verdachte] zegt: “Half miljoen hè wat weg is nou, een half miljoen met al die dingen” [medeverdachte 4] : Meer hé, bijna 800. [verdachte] : Er is nooit iemand bij ingeschoten, altijd netjes betaald (…) Er is …omdat hij er 3 weken, 4 weken op zijn eentje zat, dat is misschien voor ons de mazzel. [42]
postuuren zijn
loopje. Relevant hierbij is dat het immers niet gaat om een herkenning van een specifiek onderscheidend persoonskenmerk als (bijvoorbeeld) gelaatstrekken, maar om een herkenning die is gebaseerd op meer algemene kenmerken. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning van specifiek onderscheidende persoonskenmerken is de kwaliteit van de bekeken opnamen van doorslaggevender belang dan wanneer het gaat om een herkenning aan een postuur of loopje zoals in het onderhavige geval.
5.Bewezenverklaring
6.De strafbaarheid van het feit
7.De strafbaarheid van verdachte
8.Motivering van de straffen en maatregelen
- het uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 december 2015, waaruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten;
- het reclasseringsadvies van 29 april 2015.
9.Beslag
10.Toepasselijke wettelijke voorschriften
- Wetboek van Strafrecht: 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 48, 57:
- Opiumwet: 11, 11a;
11.Beslissing
90 dagen.
67 dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
120 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.