Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
mr. [verzoeker] ,
De procedure
De overwegingen van de kantonrechter
De beslissing
[A] ,geboren te [geboorteplaats] op [1974] , overleden te [woonplaats] op [2014] , laatst gewoond hebbende te [woonplaats] ;
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker, benoemd als vereffenaar van de nalatenschap van erflater, verzocht de kantonrechter om opheffing van de vereffening ex artikel 4:209 lid 1 BW Pro vanwege de geringe waarde van de nalatenschap en de aanwezige schulden. Tevens vroeg hij om vaststelling van zijn loon als vereffenaar en de gemaakte vereffeningskosten, alsmede ontheffing van de publicatieplicht.
De kantonrechter nam kennis van de stukken, waaronder de boedelbeschrijving en correspondentie, en stelde vast dat na verkoop van de woning nog een aanzienlijke schuld aan de bank resteerde, naast andere schulden. De kantonrechter besloot het verzoek tot opheffing van de vereffening toe te wijzen en het loon van de vereffenaar vast te stellen op € 5.018,--, aansluitend bij de regeling voor faillissementscuratoren.
De vereffeningskosten, bestaande uit het loon plus bijkomende kosten zoals griffierechten en publicatiekosten, werden vastgesteld op € 6.299,81. Het verzoek om ontheffing van de publicatieplicht werd afgewezen omdat de wet dwingend voorschrijft dat de opheffing op dezelfde wijze bekend moet worden gemaakt als de benoeming van de vereffenaar. De opheffing dient daarom te worden gepubliceerd in de Staatscourant en het AD Utrechts Nieuwsblad en ingeschreven in het boedelregister.
De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte werd afgewezen. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Verzoek tot opheffing van de vereffening van de nalatenschap wordt toegewezen en het loon en de vereffeningskosten van de vereffenaar worden vastgesteld.