Overwegingen
1.Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. [verzoeker] is eigenaar van eenmanszaak [verzoeker] (verzoeker). Verzoeker is sinds 8 januari 2014 in het bezit van een standplaatsvergunning voor de verkoop van visproducten op de locatie De Wardhof A te Dronten op de dinsdagen en sinds 18 mei 2015 in het bezit van een standplaatsvergunning voor de verkoop van visproducten op zaterdagen op de locatie Schans C, eveneens te Dronten. Bij brief van 5 november 2015 is verzoeker medegedeeld dat door toezichthouders van de gemeente Dronten tijdens controles op 25 augustus 2015, 8 september 2015, 15 september 2015, 22 september 2015, 29 september 2015 en 27 oktober 2015 is waargenomen dat [verzoeker] niet op de locatie De Wardhof A in de verkoopinrichting aanwezig was. Dit geldt eveneens voor de locatie De Schans C op 19 september 2015, 26 september 2015 en 3 oktober 2015. In verband daarmee heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat hij in overtreding is en dat hij voornemens is de verleende standplaatsvergunningen in te trekken. Verzoeker is daarbij in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken, van welke gelegenheid hij geen gebruik heeft gemaakt. Bij het bestreden besluit zijn de standplaatsvergunningen van verzoeker ingetrokken. Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt.
4. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening indien sprake is van een spoedeisend belang daarbij. Gelet op de aard van het primaire besluit, de intrekking van de aan verzoeker verleende standplaatsvergunningen en de bedrijfsvoering van verzoeker, te weten de exploitatie van de vishandel, acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
5. Vervolgens is bij de beoordeling van belang of het bezwaar tegen de intrekking van de standplaatsvergunningen een redelijke kans van slagen heeft.
6. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de standplaatsvergunningen zijn ingetrokken omdat uit controles op verschillende dagen is gebleken dat [verzoeker] niet in de verkoopinrichtingen aanwezig was, hetgeen als voorwaarde in voorschrift 3 is verbonden aan de vergunningen.
7. Op grond van artikel 1:6, aanhef en onder c, van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Dronten kan de vergunning of ontheffing worden ingetrokken of gewijzigd indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen.
Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Beleidsregel Standplaatsen Dronten (versie 24 januari 2012) (de Beleidsregel) neemt de vergunninghouder de standplaats persoonlijk in. In het derde lid van artikel 6 van de Beleidsregel wordt het een vergunninghouder toegestaan zich bij ziekte en vakantie te laten vervangen, na schriftelijke melding hiervan aan de gemeente.
In voorschrift 3, verbonden aan beide aan verzoeker verleende standplaatsvergunningen, is neergelegd dat de vergunningen persoonsgebonden zijn. Diegene die de vergunning aanvraagt, moet in de verkoopinrichting aanwezig zijn.
8. Verzoeker heeft allereerst naar voren gebracht dat hij het voornemen van verweerder van 3 november 2015 niet heeft ontvangen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het voornemen wel degelijk aan het juiste adres is verzonden. De brief is naar het adres van [verzoeker] verzonden, welk adres hij ook in zijn bezwaarschrift en bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening heeft vermeld. Verder blijkt de verzending uit het postsysteem van verweerder, alsmede uit het feit dat de brief niet als onbestelbaar bij verweerder is teruggekomen.
9. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit, als uitgangspunt geldt dat de verzender aannemelijk dient te maken dat het stuk is verzonden. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het stuk is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat er een deugdelijke verzendadministratie is. De voorzieningenrechter verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de ABRvS van 10 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:288). 10. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder het voornemen van 5 november 2015 heeft verzonden aan het adres van verzoeker, dat overeenkomt met het adres van [verzoeker] zoals dat bij verweerder bekend is en voorts zoals dat vermeld staat op de door verzoeker ingediende stukken. In het voornemen staat de verzenddatum 5 november 2015 vermeld. Uit de door verweerder bij het verweerschrift overgelegde registratie van de uitgaande brieven kan worden afgeleid dat het voornemen op die datum is verzonden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder hiermee aannemelijk heeft gemaakt dat het voornemen daadwerkelijk aan [verzoeker] is verzonden. De enkele ontkenning door verzoeker dat het voornemen door hem is ontvangen, is onvoldoende om aan de verzending daarvan te twijfelen.
11. Verzoeker heeft vervolgens naar voren gebracht dat [verzoeker] op meerdere dagen niet zelf in de verkoopinrichtingen aanwezig was omdat hij betrokken was bij de verbouwing en verhuizing van de Vishandel naar een ander pand. Omdat hij door verweerder eerder is gewezen op schending van voorschrift 3 van de standplaatsvergunningen, heeft [verzoeker] zijn afwezigheid in de verkoopinrichtingen gemeld bij de marktmeester.
12. De voorzieningenrechter stelt vast dat [verzoeker] niet heeft betwist dat hij niet heeft voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van de Beleidsregel neergelegde verplichting om de standplaats persoonlijk in te nemen. Ook is niet gebleken dat [verzoeker] de standplaats niet heeft ingenomen wegens ziekte of vakantie en na schriftelijke mededeling daarvan aan de gemeente. De door [verzoeker] naar voren gebrachte redenen voor het niet persoonlijk innemen van de standplaats zijn geen redenen die in de Beleidsregel vermeld staan als mogelijke redenen van het niet persoonlijk aanwezig zijn in de verkoopinrichting. Bovendien kan melding van afwezigheid aan de marktmeester niet gelijkgesteld worden aan de schriftelijke mededeling aan de gemeente, zoals voorgeschreven in artikel 6, derde lid, van de Beleidsregel. Daarmee heeft verweerder kunnen concluderen dat verzoeker niet heeft voldaan aan het gestelde in artikel 6, eerste lid, van de Beleidsregel en aan de voorwaarden verbonden aan de vergunningen.
13. De voorzieningenrechter komt tot het (voorlopig) oordeel dat verweerder de twee standplaatsvergunningen van verzoeker in redelijkheid heeft kunnen intrekken, nu hij niet heeft voldaan aan de daaraan verbonden voorschriften. Uit hetgeen verzoeker heeft aangevoerd kan niet worden afgeleid dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om een voorlopige voorziening af.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.