Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 april 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
wonende en gevestigd te [woonplaats] , verzoekers
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: AMH Flevoland B.V.
Procesverloop
Overwegingen
Voor het treffen van een voorlopige voorziening is in dit stadium (tijdens de bezwaarfase) in beginsel alleen dan aanleiding wanneer het primaire besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand zal kunnen blijven. Eventuele gebreken aan het bestreden besluit leiden niet automatisch tot het treffen van een voorlopige voorziening, wanneer deze gebreken in de beslissing op bezwaar kunnen worden hersteld. Verder geldt dat het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter heeft en de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure niet bindt.
het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen.
9. Partijen zijn het erover eens dat, en ook de voorzieningenrechter gaat daarvan uit, de gevraagde activiteit valt binnen de reikwijdte van artikel 4, onderdeel 9, van Bijlage II van het Bor. Het pand is gelegen binnen de bebouwde kom en er is geen sprake van uitbreiding van het bebouwd oppervlak of het bouwvolume. Verweerder is op zichzelf dan ook bevoegd om voor dit bouwplan toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II bij het Bor.
Artikel 8.5.1.1 bevat regels voor ‘Binnen de bebouwde kom’.
Dit artikel bepaalt dat voor aanvragen voor logiesgebouwen binnen de bebouwde kom een maatwerkbeoordeling zal plaatsvinden. In ieder geval wordt geen omgevingsvergunning verleend voor huisvesting in woonwijken of op bedrijfsterreinen.
Uit dit geheel van omstandigheden maakt de voorzieningenrechter op dat de percelen aan De Morinel waar het in dit geschil om gaat, als woon-werklocatie ruimtelijk verschillen van zowel de woonbuurt Morinel als van het bedrijventerrein ten noorden ervan / aan de noordkant van Dronten. Dat, zoals verzoekers ter zitting hebben aangevoerd, op dat laatste bedrijventerrein ook een aantal bedrijfswoningen en groenvoorzieningen aanwezig zijn maakt dat niet anders. Het betoog van verzoekers slaagt niet.