ECLI:NL:RBMNE:2016:3417

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 juni 2016
Publicatiedatum
24 juni 2016
Zaaknummer
4575293 UT VERZ 15-19927
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:169 BWArt. 1:345 BWArt. 265 RvArt. 1:12 BWArt. 270 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging verkoop en levering onroerende zaak onder bewind van minderjarigen

De zaak betreft een verzoek tot machtiging voor de verkoop van een onroerende zaak die toebehoort aan twee minderjarige kinderen, onder testamentair bewind gesteld na het overlijden van hun moeder. De voogd en testamentair bewindvoerder hebben gezamenlijk het verzoek ingediend, waarbij de testamentair bewindvoerder niet-ontvankelijk werd verklaard omdat alleen de voogd het verzoek mag doen.

De woning is de ouderlijke woning en wordt momenteel bewoond door de minderjarigen en hun verzorgers. De voorgenomen verkoop is aan een besloten vennootschap van familieleden, met de afspraak dat de minderjarigen in de woning kunnen blijven wonen zolang zij dat wensen. De verkoop dient om het vermogen van de minderjarigen liquide te maken voor onder andere studiekosten, aangezien het onderhoud van de woning hoge kosten met zich meebrengt die de minderjarigen niet kunnen dragen.

Hoewel de koopsom van €310.000 aanzienlijk lager is dan de getaxeerde marktwaarde van €400.000, is onderbouwd dat de lagere prijs wordt gecompenseerd door de door de verzorgers gedane verbouwings- en onderhoudskosten van €173.000, die anders door de minderjarigen betaald hadden moeten worden. De kantonrechter oordeelt dat de belangen van de minderjarigen hierdoor niet worden geschaad en verleent de gevraagde machtiging, waarbij de beschikking direct uitvoerbaar wordt verklaard.

Uitkomst: Machtiging verleend aan de voogd om toestemming te geven aan de testamentair bewindvoerder voor verkoop en levering van de onroerende zaak in het belang van de minderjarigen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bewindsbureau
locatie Utrecht
zaaknummer : 4575293 UT VERZ 15-19927
VB nummer : 107347
Beschikking d.d. 24 juni 2016
Op verzoek van:

1.[verzoeker sub 1] , wonende te [woonplaats] , [adres] , en

2. [verzoeker sub 2], wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: verzoekers.
Het verzoek strekt tot machtiging betreffende het vermogen van de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [2000] , en
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [2005] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: minderjarigen.
Verzoeker sub 1 heeft het verzoek gedaan in haar hoedanigheid van voogd van de minderjarigen. Verzoeker sub 2 heeft het verzoek gedaan in zijn hoedanigheid van testamentair bewindvoerder.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
  • het verzoekschrift met bijlagen ter griffie ingekomen op 3 november 2015;
  • een brief van verzoeker sub 2 van 15 december 2015;
  • een brief van verzoeker sub 2 van 25 januari 2016;
  • een brief van verzoeker sub 2 van 1 maart 2016;
  • een brief van verzoeker sub 2 van 31 maart 2016;
  • een brief van verzoeker sub 2 van 1 juni 2016;
  • een mailbericht van verzoeker sub 2 van 22 juni 2016;
  • een mailbericht van verzoeker sub 1 van 22 juni 2016.

2.De feiten

2.1.
Op 30 maart 2007 is de moeder van de minderjarigen, mevrouw [erflaatster] overleden (hierna erflaatster). Erflaatster heeft voor het laatst over haar nalatenschap beschikt bij testament van [2006] . Voor zover relevant heeft erflaatster in haar testament bepaald:
2. ERFSTELLING
Ik benoem tot mijn erfgenamen, ieder voor een gelijk deel: mijn kinderen.
(…)
3. VOOGDIJ
Voor het geval ik overlijd met achterlating van minderjarige kinderen benoem ik tot voogd over die kinderen: mevrouw [verzoeker sub 1] , wonende te [woonplaats] , [adres] , ( [postcode] ) geboren te [geboorteplaats] op [1964] , ongehuwd (zonder geregistreerd partnerschap).
(…)
4. BEWIND
Ik stel al hetgeen mijn kinderen (hierna ieder ook te noemen: rechthebbende) uit mijn nalatenschap verkrijgen onder bewind. Ten aanzien van het bewind geldt het volgende:
1. Ik benoem tot bewindvoerder: de heer [verzoeker sub 2] , wonende te [woonplaats] , [adres] (postcode [postcode] ), geboren te [geboorteplaats] op [1960] . (…)
2. Het bewind gaat in op de dag van mijn overlijden. Het bewind op de goederen van een rechthebbende eindigt op diens vijfentwintigste (25ste) verjaardag en voorts in de gevallen
zoals in de wet omschreven.
3. Gedurende de minderjarigheid van de rechthebbende zijn de wettelijke regels van het voogdijbewind van toepassing. (…)”
2.2.
Verzoeker sub 1 heeft blijkens een akte van 18 april 2007 ter griffie van de rechtbank Utrecht de benoeming tot voogd aanvaard.
2.3.
Blijkens een verklaring van 23 mei 2007 heeft verzoeker sub 2 zijn benoeming tot testamentair bewindvoerder aanvaard.
2.4.
De heer [A] (broer van erflaatster) en zijn echtgenote mevrouw [B] hebben, overeenkomstig een daartoe afgelegde verklaring, de opvoeding en verzorging van de minderjarigen op zich genomen. Onderdeel daarvan is dat de minderjarigen bij hen inwonen tot dat zij zelfstandig willen en kunnen gaan wonen. De inwoning is thans op de [adres] te [woonplaats] .

3.De overwegingen van de kantonrechter

3.1.
Machtiging wordt gevraagd om de aan de minderjarigen toebehorende onroerende zaak gelegen te [woonplaats] , [adres] , te mogen verkopen en leveren. Deze woning is eigendom van de minderjarigen als gevolg van het overlijden van erflaatster.
3.2.
De kantonrechter overweegt ten aanzien van het voorliggende verzoek dat ingevolge artikel 4:169 eerste Pro lid onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) de testamentair bewindvoerder met toestemming van de rechthebbende bevoegd is tot het verrichten van andere handelingen dan daden van beheer. Dit betekent dat de testamentair bewindvoerder voor de verkoop van een onder het bewind vallende onroerende zaak (zoals in het onderhavige geval), toestemming nodig heeft van de rechthebbende. Indien de rechthebbenden minderjarig zijn, zal hun wettelijke vertegenwoordiger de benodigde toestemming kunnen geven. Voorts volgt uit het derde lid van artikel 4:169 BW Pro dat indien de benodigde toestemming niet wordt verleend, de kantonrechter haar desverzocht door zijn machtiging kan vervangen. Het voorgaande betekent dat in het onderhavige geval de voogd toestemming kan geven aan de testamentair bewindvoerder voor de verkoop van de onroerende zaak.
3.3.
De kantonrechter overweegt verder dat de voogd voor het geven van de toestemming ex. artikel 4:169 eerste Pro lid onder a BW, overeenkomstig artikel 1:345 eerste Pro lid aanhef en onder a BW voorafgaande machtiging nodig heeft van de kantonrechter. Zodoende vat de kantonrechter het voorliggende verzoek op als een verzoek van de voogd tot het verkrijgen van machtiging om voornoemde toestemming te verlenen.
3.4.
Het voorgaande neemt mee dat verzoeker sub 2 (de testamentair bewindvoerder) niet bevoegd is het verzoek te doen. De kantonrechter zal verzoeker sub 2 zodoende niet-ontvankelijk verklaren.
3.5.
Ten aanzien van de bevoegdheid overweegt de kantonrechter dat op grond van artikel 265 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de rechter van de woonplaats van de minderjarige of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige, bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. Voorts bepaalt artikel 1:12 eerste Pro lid BW dat de minderjarige de woonplaats volgt van degene die het gezag over de minderjarige uitoefent. Het voorgaande houdt in dat de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem bevoegd is van het verzoek kennis te nemen, aangezien verzoeker sub 1 in [woonplaats] woonachtig is.
3.6.
Op grond van het bepaalde in artikel 270 lid 1 Rv Pro dient verwijzing naar de bevoegde rechter plaats te vinden, tenzij partijen hebben aangegeven dat zij geen verwijzing wensen.
Uit het mailbericht van verzoekers sub 1 en sub 2 van 22 juni 2016 blijkt dat zij geen verwijzing wensen. Gelet hierop acht de kantonrechter zich bevoegd kennis te nemen van het voorliggende verzoek.
3.7.
Dit betekent dat onderzocht moet worden of de verkoop van de onroerende zaak in het belang van de minderjarigen is.
3.8.
De kantonrechter overweegt dat uit de stukken blijkt dat de onroerende zaak de ouderlijke woning is van de minderjarigen en op dit moment door hen – en hun verzorgers de heer [A] en mevrouw [B] – wordt bewoond. Verder leidt de kantonrechter af dat het de bedoeling is dat de onroerende zaak wordt verkocht aan de besloten vennootschap [BV] B.V. (welke toebehoort aan de kinderen van de heer [A] en mevrouw [B] ), waarbij wordt overeengekomen dat de minderjarigen zolang zij dat wensen in de woning kunnen blijven wonen. De achtergrond van het verzoek is erin gelegen is ervoor te zorgen dat het vermogen van de minderjarigen liquide wordt gemaakt, zodat zij eventuele studiekosten kunnen betalen en eventuele andere grote uitgaven kunnen betalen. Bovendien gaat het onderhoud van de onroerende zaak aanzienlijk geld kosten en is het liquide vermogen van de minderjarige onvoldoende om deze kosten te betalen.
3.9.
Verder overweegt de kantonrechter dat uit de stukken blijkt dat de koopsom van de onroerende zaak van € 310.000,-- behoorlijk afwijkt van de getaxeerde marktwaarde van € 400.000,--. Desgevraagd is in dit verband door verzoekers meegedeeld dat de onroerende zaak in de periode 2007 tot en met 2015 voor een bedrag van € 173.000,-- is verbouwd en onderhouden en dat deze kosten, hoewel deze voor rekening van de minderjarigen behoorde te komen, zijn betaald door de heer [A] en mevrouw [B] . Door de lagere koopsom worden deze uitgaven gecompenseerd en doorgehaald. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende met stukken onderbouwd dat de onroerende zaak door de heer [A] en mevrouw [B] voor een bedrag van € 173.000,-- is verbouwd en onderhouden. Zodoende worden de belangen van de minderjarigen niet geschaad.
3.10.
De kantonrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat het verzochte in het belang van de minderjarigen is, zodat machtiging kan worden verleend. Daartoe is redengevend dat voldoende aannemelijk is geworden dat het vermogen van de minderjarige liquide moet worden gemaakt, zodat zij dit kunnen gebruiken voor hun studiekosten. Ook is voldoende aannemelijk geworden dat de kosten van het onderhoud van de onroerende zaak niet door de minderjarigen kunnen worden betaald. Verder is van belang dat de minderjarigen in de woning kunnen blijven wonen.
3.11.
Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter als volgt beslissen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
verklaart verzoeker sub 2 niet ontvankelijk;
4.2.
verleent machtiging om toestemming te geven aan de testamentair bewindvoerder om de onroerende zaak gelegen te [woonplaats] , [adres] , te mogen verkopen en leveren;
4.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.T. van Rens, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing kan binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend.