Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen drie rechters die betrokken waren bij een strafzaak, omdat zij meenden dat de rechters reeds een oordeel hadden gevormd over een nog te voeren verweer, wat een gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid zou opleveren.
De wrakingskamer onderzocht het verzoek en stelde vast dat de motivering van de rechters zoals vastgelegd in het proces-verbaal een juiste weergave was van de ter zitting uitgesproken beslissing. Verzoeker was sinds de zitting van 10 mei 2016 bekend met de wrakingsgrond, maar diende het verzoek pas op 9 juni 2016 in, wat niet tijdig was.
De rechters beriepen zich op het ontbreken van een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid en wezen erop dat zij geen beslissingen hadden genomen op de in het wrakingsverzoek genoemde wettelijke artikelen. De officier van justitie steunde het standpunt van de rechters.
De wrakingskamer concludeerde dat het verzoek niet-ontvankelijk was wegens te late indiening en gebrek aan gegronde vrees voor partijdigheid. De procedure werd voortgezet in de stand waarin deze zich bevond voor de schorsing.