Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 juni 2016 in de zaak tussen
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder
Procesverloop
.Er is naar aanleiding van de aanvraag om vaststelling van de subsidie door verweerder vervolgens een conceptrapport van bevindingen opgesteld. Hierin is het bedrag aan subsidie vastgesteld op € 229.021,-. Eiser heeft zijn zienswijze op dit rapport gegeven
.Verweerder heeft vervolgens op 27 april 2013 een definitief rapport opgesteld
.Op basis van dit rapport is bij het primaire besluit een subsidiebedrag voor het project vastgesteld van € 464.173,-. Verweerder heeft naar aanleiding van de hoorzitting in bezwaar vijf dossiers bij eiser opgevraagd en op basis daarvan een nieuwe berekening gemaakt. Dit heeft geleid tot de vaststelling van het subsidiebedrag in bezwaar van € 643.001,-.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser aan de voorwaarden voor de ESF-subsidieverlening heeft voldaan en daarbinnen weer in het bijzonder op de vraag of de prestatieonderbouwing voldoende is geweest om de verleende subsidie vast te stellen. Dat laatste is volgens eiser wel en volgens verweerder niet het geval. Eiser heeft in beroep geen gronden meer naar voren gebracht die zien op verweerders beslissing om de inbreng van zogenaamde ‘jobhunters’ buiten beschouwing te laten. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat hij zich erbij heeft neergelegd dat verweerder deze activiteiten niet subsidieert en dat zijn beroep zich hierop niet meer richt.
Op grond van het eerste lid, van artikel 16, houdt de begunstigde een inzichtelijke en controleerbare administratie bij met betrekking tot de uitvoering van het project en de in verband daarmee gedane uitgaven en verworven inkomsten. Deze administratie bestaat uit een projectadministratie, waaronder begrepen een deelnemersadministratie en een financiële administratie, waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, juist en volledig zijn vastgelegd en ten behoeve van de vaststelling van de subsidiabiliteit zijn te verifiëren met bewijsstukken.
Ingevolge het tweede lid, van artikel 16, geeft de projectadministratie inzicht in de geplande en gerealiseerde prestaties in termen van deelnemers en uren, dan wel in termen van geleverde producten of diensten.
De rechtbank stelt vast dat verweerder, door dit zo te doen, een prestatieverantwoording heeft geaccepteerd die, zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld, niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 16 van Pro de Subsidieregeling. Dit heeft verweerder overigens ook ter zitting erkend. Een wettelijke basis voor deze vorm van coulance ontbreekt. Er is dus in het bestreden besluit geen sprake van een juiste prestatieverantwoording conform de daarvoor geldende regels voor het project. Dit is in strijd met de ESF-verordening waarop de Subsidieregeling is gebaseerd. Verweerder heeft het subsidiebedrag in het bestreden besluit in strijd met de Subsidieregeling en de ESF-verordening op een te hoog bedrag vastgesteld. Eiser heeft gronden gericht tegen de berekening van de subsidie als zodanig en bepleit dat er wel een voldoende prestatieverantwoording aanwezig is. De beroepsgrond van eiser dat de berekening van verweerder niet op de Subsidieregeling is gebaseerd, slaagt, maar niet met als strekking dat eiser ook materieel gelijk krijgt. De rechtbank heeft geen inzicht in het bedrag dat eiser wél op juist wijze heeft verantwoord, maar stelt vast dat wat verweerder bij het primaire besluit en vervolgens bij het bestreden besluit heeft vastgesteld aan subsidiebedrag in ieder geval onjuist is. Het bestreden besluit moet dan ook worden vernietigd wegens strijd met artikel 16 van Pro de Subsidieregeling.
Uit de genoemde arresten volgt dat het Unierecht dus niet in de weg hoeft te staan aan de toepassing van het nationale procesrecht, zoals het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel, waar het verbod van ‘reformatio in peius’ zijn grondslag in vindt, mits het gelijkwaardigheidsbeginsel en doeltreffendheidsbeginsel niet geschonden worden.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331,- aan eiser te vergoeden;