De zaak betreft een directeur van een basisschool die na invoering van een meerschoolsdirectiemodel door haar werkgever, een vereniging van scholen, niet werd toegelaten tot haar functie. De directeur was sinds 2007 in dienst en werkte sinds 2012 als directeur van een school met twee locaties. De vereniging had een nieuw functiegebouw vastgesteld waarbij de functie van directeur zou komen te vervallen bij vertrek en de directeuren onder een meerschoolsdirecteur zouden vallen.
Na invoering van het model ontstond onenigheid over de wijziging van verantwoordelijkheden en bevoegdheden. De directeur meldde zich ziek en kreeg buitengewoon verlof met behoud van salaris, maar de werkgever weigerde haar terugkeer op de werkvloer. De directeur startte een kort geding met vordering tot wedertewerkstelling.
De kantonrechter oordeelt dat het buitengewoon verlof geen grondslag biedt voor de weigering en dat de werkgever geen rechtspositionele maatregel heeft genomen die de weigering rechtvaardigt. Het conflict en de onrust zijn vooral tussen de directeur en de vereniging, en niet uitsluitend aan de directeur toe te rekenen. De kantonrechter acht het aannemelijk dat de bodemrechter de vordering tot wedertewerkstelling zal toewijzen en beveelt dat de directeur haar functie vanaf 1 augustus 2016 weer mag uitoefenen. Tevens wordt een dwangsom opgelegd bij niet-naleving en worden de proceskosten aan de werkgever opgelegd.