ECLI:NL:RBMNE:2016:4039

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 juli 2016
Publicatiedatum
19 juli 2016
Zaaknummer
418646 / HA RK 16-141
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 6 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing wrakingsverzoek tegen rechters wegens vermeende vooringenomenheid afgewezen

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen drie rechters van de rechtbank Midden-Nederland, stellende dat zij vooringenomen zijn doordat zij slechts twee van vier getuigen toestonden te horen, wat volgens verzoeker de waarheidsvinding belemmert.

De rechters en de officier van justitie ontkenden elke vooringenomenheid en stelden dat het verzoek tot het horen van vier getuigen zorgvuldig was getoetst aan het noodzaakscriterium. De wrakingskamer overwoog dat het afwijzen van een verzoek tot het horen van getuigen een procesbeslissing is en dat onvrede hierover op zichzelf onvoldoende is voor wraking.

De kamer stelde vast dat er geen uitzonderlijke omstandigheden waren die een vermoeden van vooringenomenheid rechtvaardigen. Bovendien werd de mogelijkheid opengehouden om later alsnog de overige getuigen te horen indien nodig.

Daarom verklaarde de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond en bepaalde dat de strafprocedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters is ongegrond verklaard en de strafprocedure wordt voortgezet.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer/rekestnummer: 418646 / HA RK 16-141
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 19 juli 2016
op het verzoek in de zin van artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) van:
[verzoeker],
Thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam] , locatie [locatie]
(verder te noemen: verzoeker),
advocaat: mr. M. Hoevers (vervanger van mr. J.B. Boone), advocaat te Wijk bij Duurstede.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het proces-verbaal van de zitting van 1 juli 2016 met daarin verwoord het wrakingsverzoek;
  • de schriftelijke reactie d.d. 4 juli 2016 van mrs. E.M. de Stigter, J.M. Eelkema en R.P. den Otter;
  • pleitnota van mr. Hoevers van 5 juli 2016.
Het wrakingsverzoek is op 5 juli in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen: verzoeker, zijn raadsman mr. Hoevers, de gewraakte rechters mrs. De Stigter en Eelkema en de officier van justitie mr. E. van der Burg.
1.3.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het wrakingsverzoek

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mrs. E.M. de Stigter, J.M. Eelkema en R.P. den Otter als behandelend rechters (hierna te noemen: de rechters), in de zaak met het parketnummer 16/706998-15.
Verzoeker heeft het volgende ten grondslag gelegd aan zijn wrakingsverzoek. Het belang van de verdediging is het toetsen van de waarheid van het proces-verbaal van 3 december 2015. Dit is alleen mogelijk door het na elkaar en zonder mogelijkheid van onderlinge afstemming horen van de verzochte vier getuigen, zodat hun verklaringen in onderling verband en samenhang kunnen worden beoordeeld. De rechtbank heeft in navolging van de rechter-commissaris slechts twee van de vier getuigen toegestaan. Door deze beslissing wordt de waarheidsvinding belemmerd en dat maakt dat de verdediging van oordeel is dat de rechtbank vooringenomen is. De verdediging vraagt zich af of de rechtbank het belang van het horen van de getuigen wel heeft overzien. Omdat er cruciale verschillen zijn tussen de constateringen van de zoekingen door respectievelijk de verbalisanten en de amateurzoekers is het volstrekt onbegrijpelijk dat de rechtbank voorbij is gegaan aan dit belang. De rechtbank heeft nagelaten te besluiten tot het horen van vier getuigen en is klakkeloos meegegaan met de beslissing van de rechter-commissaris. Deze onbegrijpelijke beslissing geeft blijk van vooringenomenheid.
2.3.
Mrs. De Stigter, Eelkema en Den Otter hebben niet berust in de wraking. In hun schriftelijke reactie stellen zij zich op het standpunt dat zij geen vooringenomenheid koesteren ten opzichte van verzoeker. De verdediging heeft bij de rechter-commissaris verzocht om vier getuigen te horen: twee verbalisanten en twee speurhondenbegeleiders van [naam] . De rechter-commissaris heeft het verzoek toegewezen ten aanzien van één verbalisant en één speurhondenbegeleider. Ter zitting heeft de verdediging verzocht om ook de andere twee getuigen te horen. De rechters hebben dit onder de omstandigheid van het horen van de andere reeds toegestane twee getuigen niet noodzakelijk geacht. De beslissing op deze onderzoekswens van de verdediging levert geen aanwijzing op dat de rechters jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren, althans dat een vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.
2.4.
De officier van justitie is van mening dat de rechters geen blijk hebben gegeven van vooringenomenheid jegens verzoeker. De rechters hebben juist aangegeven dat de verdediging een belangrijk punt heeft, maar zijn wel van mening dat er reeds voldoende tegemoet is gekomen aan het verzoek. De rechters hebben getoetst aan het noodzaakscriterium, het juiste criterium en bovendien hebben zij de rechter-commissaris de mogelijkheid gegeven om indien daar na het horen van de twee getuigen aanleiding toe bestaat alsnog verder onderzoek te doen.

3.De beoordeling

3.1
Artikel 512 Sv Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2
Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van Pro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria.
Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechters vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen zijn. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechters in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.
3.3
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechters in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
3.4
De wrakingskamer is van oordeel dat van uitzonderlijke omstandigheden als hiervoor
bedoeld niet is gebleken. De beslissing van de rechters om het verzoek tot het horen van de resterende twee getuigen af te wijzen, betreft een procesbeslissing. Voor dergelijke beslissingen geldt dat de enkele omstandigheid dat het verzoek is afgewezen en de onvrede over deze afwijzing op zichzelf onvoldoende grond zijn voor wraking. Dat kan anders zijn indien de beslissing of de motivering daarvan zo onbegrijpelijk is, dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechters partijdig zijn dan wel jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren. Daarvan is naar het oordeel van de wrakingskamer in de onderhavige zaak niet gebleken.
De wrakingskamer stelt vast dat de rechters het verzoek van de verdediging hebben getoetst aan het juiste criterium, zijnde het noodzaakscriterium. Zulks is door de verdediging niet weersproken. Daarnaast hecht de wrakingskamer belang aan het feit dat de rechters de mogelijkheid hebben opengelaten voor de rechter-commissaris, om in een later stadium alsnog te besluiten tot het horen van de resterende twee getuigen, mocht daar aanleiding toe zijn na het horen van de reeds toegestane getuigen. Daarmee geeft de beslissing van de rechters tot afwijzing van het verzoek om het horen van de twee resterende getuigen geen blijk van vooringenomenheid. Dat verzoeker zijn raadsman zich op het standpunt stelt dat het van belang is dat de getuigen na elkaar en zonder onderbreking worden gehoord doet hieraan wat de wrakingskamer betreft niet af.
Ook overigens hebben verzoeker en zijn raadsman geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de rechters blijk hebben gegeven van partijdigheid dan wel van vooringenomenheid dan wel dat de vrees van vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is.
3.5
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechters, de officier van justitie, alsmede aan de voorzitter van de afdeling straf-, familie- en jeugdrecht en de president van deze rechtbank;
bepaalt dat de procedure van verzoeker met parketnummer 16/706998/15 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, en mr. I.P.H.M. Severeijns en mr. M.J. Slootweg als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. L. van Gaal, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2016.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.