Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de dagvaarding met producties (18),
- de producties 10a en 19 tot en met 23 van de centrales,
- de akte wijziging eis,
- de conclusie van antwoord met producties (9),
- de mondelinge behandeling op 20 juli 2016,
- de pleitnota van de centrales,
- de pleitnota van de NFU.
2.De feiten
loonruimte-overeenkomst publieke sector2015-2016’ tot stand gekomen (hierna: de loonruimteovereenkomst). De overeenkomst is ondertekend door (onderhandelaars van) de minister van BZK, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), vertegenwoordigers van CNV Overheid & Publieke Diensten, het AC en de CMHF aan de zijde van de centrales en vertegenwoordigers van Onderwijssectoren en de VNG aan de zijde van de werkgevers.
Preambule
3.Het geschil
4.De beoordeling
- in de ROP-bijeenkomst van 19 augustus 2015 waar de NFU werd vertegenwoordigd door de heer Kramer, hebben alle ROP-deelnemers, met uitzondering van ACOP FNV, aangegeven achter de loonruimteovereenkomst te staan,
- op 3 september 2015 zijn in de Pensioenkamer van de ROP de pensioenafspraken in de loonruimteovereenkomst geaccordeerd,
- tijdens de gerechtelijke procedure in twee instanties heeft de NFU het standpunt ingenomen dat de loonruimteovereenkomst conform de daarvoor geldende regels van open en reëel overleg tot stand is gekomen en dat dat niet in de Pensioenkamer herhaald hoeft te worden; de centrales wijzen onder meer op de als productie 23 overgelegde memorie van antwoord uit de eerdergenoemde kortgedingprocedure bij het hof Den Haag, waarin (onder andere) de NFU onder punt 16.21 stelt:
- de NFU heeft de pensioenovereenkomst op 18 november 2015 ondertekend en zij heeft daarna nimmer de indruk heeft gewekt dat zij, als het gaat om de loonafspraken, zich niet gebonden acht,
- de NFU heeft tijdens de vergadering van het LOAZ van 4 februari 2016 (en ook daarna) aangegeven dat zij de intentie heeft zich te houden aan de loonruimteovereenkomst.
816,00