Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De feiten
Advies (en antwoord op eventuele specifieke vraagstelling):
Rechtbank Midden-Nederland
De werknemer, sinds 2003 in dienst als receptiemedewerkster bij Ortholuna B.V., werd gewaarschuwd wegens alcoholgebruik op het werk. Op 16 juni 2016 werd opnieuw alcoholgebruik geconstateerd, waarop zij werd geschorst. De werknemer verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst ex artikel 7:671c BW met toekenning van transitie- en billijke vergoeding. De werkgever verzocht eveneens ontbinding op grond van verwijtbaar handelen van de werknemer.
De kantonrechter stelde vast dat de werknemer op 16 juni 2016 onder invloed van alcohol op het werk was, wat verwijtbaar handelen oplevert, maar niet ernstig verwijtbaar. De werkgever handelde niet ernstig verwijtbaar, ondanks het schorsen en het aanbieden van een beëindigingsovereenkomst. Mediation werd door de werkgever geweigerd vanwege feitelijke aard van het geschil.
De arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 1 december 2016. Het verzoek van de werknemer tot transitievergoeding en billijke vergoeding werd afgewezen wegens ontbreken van ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever. Het verzoek van de werkgever werd afgewezen, tenzij de werknemer haar verzoek intrekt; dan kan de ontbinding op verzoek van de werkgever plaatsvinden met toekenning van transitievergoeding.
Proceskosten werden gecompenseerd en partijen kregen de gelegenheid hun verzoeken in te trekken binnen gestelde termijnen. De verhoudingen waren dusdanig verstoord dat voortzetting van het dienstverband niet van de werknemer kon worden verlangd.
Uitkomst: Arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 december 2016; transitievergoeding afgewezen wegens ontbreken ernstig verwijtbaar handelen werkgever.