Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het verzoek tot een beslissing in een deelgeschil ex artikel 1019w Rv, ter griffie ingekomen op 12 mei 2015;
- het verweerschrift, ter griffie ingekomen op 17 augustus 2015;
- de brief van 20 augustus 2015 met de producties 37 tot en met 40 van [verzoeker] ;
- de mondelinge behandeling gehouden op 25 augustus 2015, waarvan aantekening is gehouden;
- de “aantekeningen t.b.v. mondelinge behandeling” van [verzoeker] ;
- het proces-verbaal van behandeling van een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv, gehouden op 25 augustus 2015.
- de brief van 11 november 2015 van [verzoeker] ;
- de brief van 30 november 2015 van Reaal;
- de brief van 2 december 2015 van [verzoeker] , waarbij productie 37 is overgelegd;
- de mondelinge behandeling gehouden op 17 december 2015, waarvan aantekening is gehouden;
- het proces-verbaal van voortzetting van de behandeling van een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv, gehouden op 17 december 2015.
2.De feiten
2.De situatie zonder ongeval
2.De situatie zonder ongeval
Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval
3.Het deelgeschil
- tussen partijen voor recht te verklaren dat de onder sub 16 van het verzoekschrift en in de deskundigenberichten genoemde klachten en beperkingen van [verzoeker] juridisch volledig causaal aan het ongeval van 19 oktober 2011 moeten worden toegerekend;
- Reaal te voordelen om aan [verzoeker] ter zake de buitengerechtelijke kosten rechtsbijstand door advocaat mr. J.F. Roth ex artikel 6:96 BW Pro te betalen het bedrag van € 9.674,32;
- Reaal te voordelen om aan [verzoeker] ter zake de buitengerechtelijke kosten rechtsbijstand door advocaat mr. L.J.A.M. Hanssen ex artikel 6:96 BW Pro te betalen het bedrag van € 6.662,77 en mr. M. van Alphen het bedrag van € 1.735,36;
- Reaal te veroordelen in de kosten van dit geschil, te begroten op een bedrag van € 9.350,15, te vermeerderen met het griffierecht.
4.De beoordeling
- kort gezegd - uitval. De rechtbank hecht er op deze plaats verder aan de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden aan te halen. In geval van een aanrijding bij een snelheid van 100 km/u is het immers niet onaannemelijk dat, ook als er al sprake was van klachten, dit een nadelige impact heeft op de gezondheid (en de bestaande klachten) van het slachtoffer.
Indien de ADHD als predispositie zou worden gekwalificeerd, dan staat dit op zichzelf aan volledige toerekening niet in de weg. Dit zou anders kunnen zijn als sprake is van bijzondere omstandigheden waaruit met zekerheid kan worden afgeleid dat de predispositie ook zonder het ongeval tot relevante beperkingen en een daaruit voortvloeiend verlies aan verdienvermogen zou hebben geleid. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is echter niet gebleken. [verzoeker] werd immers in medisch opzicht succesvol behandeld en functioneerde in zijn werk. Ook in de deskundigenberichten vindt de rechtbank geen aanknopingspunten voor het standpunt dat, het ongeval weggedacht, relevante beperkingen zouden zijn opgetreden die tot uitval van [verzoeker] zouden hebben geleid.
“benadering vanuit een “klassiek” somatisch-medisch paradigma te wijzigen in een diagnosticeren en behandelen vanuit een relationeel communicatief paradigma waarbij principes voortvloeiend uit het concept ‘neurale reorganisatie’ in de behandeling worden geïntegreerd”. Meer concreet stelt Hagemans voor een verwijzing te doen plaatsvinden naar een zogenaamde SOLK-poli waar behandeling van somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK) veelal succesvol blijkt te zijn. Zonder afbreuk te willen doen aan de omstandigheden waarin [verzoeker] ten gevolge van het ongeval is komen te verkeren, is de rechtbank van oordeel dat het - in het kader van de verplichting van een slachtoffer van een verkeersongeval ten opzichte van de aansprakelijke partij om de schade te beperken - in ieder geval voor wat betreft de toekomstige schade op zijn weg ligt een dergelijke behandeling te ondergaan.