Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 1 augustus 2016 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het handhavingsverzoek van eiser alsnog onderzocht, zij het - zo heeft hij ter zitting toegelicht - niet op de uitgebreide manier die in artikel 60 van Pro de Wet bescherming van persoonsgegevens (Wbp) is neergelegd. Uit globaal onderzoek is gebleken dat de verwerking van persoonsgegevens in het kader van een disciplinair onderzoek door de korpsbeheerder van de politieregio [regio] is gemeld bij verweerder. Het is daarom niet aannemelijk dat sprake is van een overtreding van artikel 27 van Pro de Wbp. Eisers verzoek beperkt zich verder tot het opleggen van een boete. Hij heeft verschillende vermeende overtredingen van de Wpg genoemd die echter niet beboetbaar zijn. Het handhavingsverzoek van eiser komt voor wat betreft de verzochte buitenwettelijke boeteoplegging niet voor toewijzing in aanmerking en daarom zal verweerder er geen verder onderzoek naar doen. Tot slot heeft verweerder wel nader onderzoek noodzakelijk geacht naar de overtreding van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wpg (de protocolplicht van de politie). Hier kan verweerder een boete voor opleggen, maar hij mag ook kiezen voor een ander handhavingsinstrument. In dit geval heeft verweerder ervoor gekozen om buiten de bezwaarprocedure om een normoverdragend gesprek te voeren met de nationale politie. Verweerder heeft het bezwaar van eiser vervolgens ongegrond verklaard.
De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat hij de vrijheid heeft om keuzes te maken welke verzoeken hij wel of niet verder onderzoekt. Het prioriteringsbeleid is als zodanig niet in strijd met de Privacyrichtlijn. Deze conclusie vindt steun in de eerdergenoemde uitspraak van de ABRvS van 15 april 2015. De vraag die de ABRvS aan het HvJ heeft gesteld betrof de concrete uitwerking van de Beleidsregels, omdat de praktijk erop leek te wijzen dat individuele klachten nooit in behandeling zouden worden genomen. Verweerder heeft dit ter zitting weersproken en hier heeft eiser niets tegen ingebracht. Van een formele buiten behandelingstelling zoals bedoeld in artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is overigens in dit geval ook geen sprake geweest. Alhoewel de formulering van het primaire besluit inderdaad ongelukkig is te noemen, gaat de rechtbank ervan uit dat verweerder de klacht van eiser bij het primaire besluit niet buiten behandeling heeft gesteld, maar heeft afgewezen. Hij heeft vervolgens op basis van het bezwaar van eiser dit besluit in bezwaar volledig heroverwogen, waarbij duidelijk is dat de klacht van eiser inhoudelijk is onderzocht, maar niet tot het door hem gewenste resultaat heeft geleid. Samenvattend concludeert de rechtbank dat verweerder de vrijheid heeft om prioriteiten te stellen en dat de uitvoering van de Beleidsregels waarin verweerder deze priortering heeft vastgelegd in dit concrete geval niet in strijd is met de Privacyrichtlijn. Verweerder heeft zich dan ook niet tot het Nederlandse parlement hoeven wenden voor meer mensen en middelen, zoals eiser heeft betoogd. De beroepsgrond slaagt niet.
Eiser is niet in de gelegenheid gesteld op deze stukken te reageren en hij meent dat hij hierdoor in zijn belang is geschaad, zodat aan het beginsel van hoor en wederhoor niet met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb kan worden voorbijgegaan. In reactie op het verweerschrift heeft eiser hieraan toegevoegd dat verweerder hem ten onrechte tegenwerpt dat hij tijdens de hoorzitting al kenbaar had moeten maken dat hij wilde reageren op mogelijk nieuwe, door de korpschef ingebrachte informatie. Artikel 7:9 van Pro de Awb richt zicht tot het bestuursorgaan en niet tot eiser. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder aanvullende informatie heeft betrokken bij de afwijzing van het handhavingsverzoek. Er wordt immers voor de vraag of de korpschef zich op juiste wijze heeft gehouden aan de protocolplicht, verwezen naar een e-mail van 29 augustus 2011, die pas na de hoorzitting door de korpschef is overgelegd.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder geen volledige heroverweging in bezwaar heeft verricht. In dat kader heeft hij erop gewezen dat verweerder zich beroept op de Beleidsregels en dat deze zijn opgesteld voor overtredingen op grond van de Wbp. Uit het bestreden besluit kan eiser niet opmaken dat de Wbp in dit geval van toepassing zou zijn. Hoe verweerder toekomt aan het beoordelen van het verzoek, dat is gedaan op basis van de bepalingen van de Wpg, aan de hand van de Beleidsregels is evenmin uit het bestreden besluit op te maken. Er is kennelijk sprake van samenloop tussen de Wbp en de Wpg, maar verweerder heeft dit niet verder gemotiveerd.
De rechtbank verwijst in dit verband naar dat wat is overwogen in rechtsoverweging 9.
- de korpschef heeft een fysiek dossier aan zichzelf verstrekt, terwijl volgens vaste rechtspraak van de ABRvS een document geen persoonsgegeven is;
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat van een beginselplicht tot beboeting geen sprake is. De wet laat aan verweerder een discretionaire bevoegdheid om te kiezen voor een (reparatoir) handhavingsalternatief. Verweerder legt volgens het eigen beleid in beginsel een last onder dwangsom op in gevallen waarin herstel van de normschending mogelijk is. Daarnaast zet hij ook in op een meer informele aanpak om tot normconform handelen te komen. Buiten de bezwaarprocedure om zal verweerder een normoverdragend gesprek voeren met de politie. In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat nader onderzoek naar de geconstateerde overtreding nodig was (geweest). Met de gevraagde sanctie kan volgens verweerder echter niet zinvol worden ingegrepen. Het opleggen van een boete draagt niet bij aan het toezicht op de politie. Een boete is bedoeld als bestraffing. Een informeel traject is volgens verweerder in dit geval geschikter, maar dat wijst niet op vooringenomenheid, zoals eiser stelt. Ook is geen sprake van strijd met unierecht. Het inzetten van middelen als informeel handhavingstraject is in overeenstemming met de beginselen van unierecht.
Verweerder mag er uiteindelijk wel voor kiezen om geen boete op te leggen, maar niet nadat er voldoende informatie voorhanden is (bijvoorbeeld of het om opzet gaat en er sprake is van recidive) en hij de keuze om niet over te gaan tot een boete in voldoende mate en inzichtelijk toelicht, binnen de handhavingsprocedure die voorligt.
De beroepsgrond van eiser treft doel. Wat hiervan het gevolg moet zijn, zal de rechtbank aan het slot van deze uitspraak overwegen.
Beslissing
- houdt iedere verdere beslissing aan.