Verzoeker, een verpleegkundige die zijn beroep uitsluitend binnen zorginstellingen uitoefent en ten tijde van het bevel niet werkzaam was, kreeg van de Inspecteur voor de Gezondheidszorg een bevel opgelegd op grond van artikel 87a en 40 van de Wet BIG. Dit bevel verbood hem werkzaamheden te verrichten totdat de tuchtrechter zich had uitgesproken. Verzoeker betoogde dat het bevel onrechtmatig was omdat artikel 40, eerste lid, Wet BIG alleen geldt voor solistisch werkzame beroepsbeoefenaren en niet voor degenen die binnen instellingen werken.
De voorzieningenrechter bevestigde dat het bevel uitsluitend kan worden opgelegd aan solistisch werkzame beroepsbeoefenaren, gebaseerd op de wetsgeschiedenis en de tekst van de Wet BIG in samenhang met de Kwaliteitswet zorginstellingen. Omdat verzoeker niet zelfstandig, maar binnen instellingen werkzaam was en op het moment van oplegging niet werkzaam was, was de Inspecteur niet bevoegd het bevel op te leggen.
De voorzieningenrechter wees ook het argument van de Inspecteur af dat het bevel kon worden opgelegd omdat verzoeker BIG-geregistreerd was en eventueel zelfstandig aan de slag kon. De voorlopige voorziening werd toegewezen, het bevel en de openbaarmaking daarvan geschorst tot uitspraak in het bodemgeding. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.