ECLI:NL:RBMNE:2016:5917

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 november 2016
Publicatiedatum
7 november 2016
Zaaknummer
C/16/410861/ HA ZA 16-168
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 1 Wet verevening pensioenrechten bij echtscheidingArt. 1:94 lid 2 onderdeel b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Recht op pensioenverevening na echtscheiding ondanks algemene kwijting

Partijen zijn in 1997 in gemeenschap van goederen gehuwd en in 2007 gescheiden. Tijdens het huwelijk heeft de man pensioenrechten opgebouwd. In eerdere procedures is een algemene kwijting overeengekomen, maar pensioenverevening is toen niet besproken.

De vrouw vordert dat de man vanaf 1 juli 2015 de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen aan haar betaalt, vermeerderd met indexatie. De man voert verweer dat hij door de kwijting afstand zou hebben gedaan van pensioenverevening en dat de vrouw haar rechten bewust heeft achtergehouden.

De rechtbank stelt vast dat pensioenrechten niet tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren en dat afstand van pensioenverevening schriftelijk en expliciet moet worden vastgelegd. Omdat dit niet is gebeurd, is er geen afstand genomen. Ook de door de man aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende om afstand of rechtsverwerking aan te nemen.

De rechtbank wijst de vordering van de vrouw toe voor betaling van €79,78 bruto per maand plus indexatie vanaf 1 juli 2015, wijst het meer gevorderde af en compenseert de proceskosten tussen partijen.

Uitkomst: De man is veroordeeld tot betaling van pensioenverevening vanaf 1 juli 2015 met maandelijkse betaling van €79,78 bruto plus indexatie.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/410861 / HA ZA 16-168
Vonnis van 30 november 2016
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. M.L. Neuteboom-van Asselt te Montfoort,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. A.M.E. Derks te Woerden.
Partijen zullen hierna [de vrouw] of de vrouw en [de man] of de man genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 6 juli 2016;
  • het proces-verbaal van comparitie van 20 oktober 2016.
1.2.
Vervolgens is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [1997] te [gemeente] in gemeenschap van goederen gehuwd. Tussen hen is de echtscheiding uitgesproken bij beschikking van 13 juni 2007. Deze beschikking is op 3 juli 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] .
2.2.
Gedurende het huwelijk zijn door de man pensioenrechten opgebouwd.
2.3.
Partijen hebben eerder geprocedeerd over de verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap. In die procedure zijn partijen op de comparitie van 25 augustus 2009 het volgende overeengekomen:
“Partij [de man] zal aan partij [de vrouw] een bedrag betalen van EUR 240,00 (…) Partijen verlenen elkaar na uitvoering van het bovenstaande finale kwijting van al hetgeen zij in het kader van deze procedure gevorderd hebben en al hetgeen zij mogelijk nog te vorderen hebben in het kader van de rechtsbetrekking die tussen hen heeft bestaan.”
De verevening van pensioenrechten is in deze procedure niet aan de orde geweest.
3. Het geschil
3.1.
De vrouw vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht te verklaren dat de man gehouden is om vanaf 1 juli 2015 de helft van het tijdens het huwelijk van partijen opgebouwde pensioen aan de vrouw te voldoen;
te bepalen dat de man uit hoofde van vooromschreven verplichting vanaf 1 juli 2015 iedere maand uiterlijk op de eerste van de maand een bedrag ad € 79,78 bruto te vermeerderen met de periodiek door het pensioenfonds vast te stellen indexatie aan de vrouw dient te voldoen;
de man te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten;
e man te veroordelen in de proceskosten met wettelijke rente en de nakosten.
3.2.
De man voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Aan de orde is de vraag of de vrouw door het verlenen van kwijting (zie onder 2.3.) afstand heeft gedaan van haar recht op verevening van pensioenrechten.
4.2.
Pensioenrechten vallen niet in de gemeenschap van goederen (art. 1:94 lid 2 onderdeel Pro b BW). Deze worden beheerst door de Wet verevening pensionrechten bij echtscheiding (WVPS). Artikel 2, lid 1 WVPS bepaalt:
“In geval van scheiding en voor zover de ene echtgenoot na de huwelijkssluiting en voor de scheiding pensioenaanspraken heeft opgebouwd, heeft de andere echtgenoot overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet recht op pensioenverevening, tenzij de echtgenoten de toepasselijkheid van deze wet hebben uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de echtscheiding.”
Uit deze bepaling volgt dat voor afstand van pensioenverevening vereist is dat partijen toepassing van de WVPS moeten hebben uitgesloten en dat dit schriftelijk moet gebeuren.
4.3.
In het proces-verbaal van 25 augustus 2009 is met geen woord gerept over de pensioenrechten. Er is dus niet voldaan aan de vereisten voor afstand van pensioenverevening.
4.4.
De man voert een aantal omstandigheden aan (de man meent dat de pensioenverevening onder de kwijting valt; de gemeente heeft geen actie ondernomen om tot bijstandsverhaal te komen; de vrouw heeft een beroep op pensioenverevening bewust achterwege gelaten in verband met haar recht op bijstand en zij heeft pas actie ondernomen toen zij er zelf financieel beter van zou worden; de vrouw heeft niets gemeld aan de gemeente en dit is in strijd met haar rechtsplicht; de man heeft geen rekening meer hoeven en kunnen houden met de aanspraak van de vrouw, in elk geval niet met terugwerkende kracht) die allen onvoldoende zijn voor een beroep op afstand van recht of rechtsverwerking. Volgens vaste rechtspraak is enkel stilzitten daartoe onvoldoende. Wat daarvan ook zij, ook deze omstandigheden zijn onvoldoende voor het aannemen van afstand van pensioenverevening krachtens artikel 2 lid 1 WVPS Pro. Dat geldt ook voor een beroep op de redelijkheid en billijkheid met deze omstandigheden en het thans geringe inkomen van de man ter onderbouwing, als verweer tegen toewijzing met terugwerkende kracht. Bij brief van 14 oktober 2015 is de man door de vrouw aangesproken om tot verevening van pensioenrechten over te gaan, zodat hij er vanaf dat moment rekening mee had kunnen en moeten houden. De vrouw heeft bovendien met ingang van 1 juli 2015 pensioenverevening gevorderd en niet vanaf de echtscheiding, toen de man zijn pensioenuitkering reeds ontving.
4.5.
De man heeft erkend dat de vrouw aanspraak heeft op € 957,34 bruto per jaar. Volgens de vrouw is dat € 79,78 bruto per maand, hetgeen verder niet is betwist, zodat de rechtbank de vordering van de vrouw onder b zal toewijzen waarmee uitvoering aan de pensioenverevening wordt gegeven. Ook de vermeerdering van genoemd bedrag met de door het pensioenfonds vast te stellen periodiek (de rechtbank neemt aan dat daarmee indexatie is bedoeld) is niet betwist en zal worden toegewezen. Gelet hierop heeft de vrouw geen belang meer bij het gevorderde onder a. zodat de rechtbank die vordering zal afwijzen.
4.6.
De rechtbank gaat er van uit dat partijen een betalingsregeling zullen treffen voor het door de man voldoen van de inmiddels ontstane achterstand.
4.7.
De vordering betreffende de buitengerechtelijke incassokosten heeft de vrouw uitsluitend aldus toegelicht dat zij van mening is dat de man daartoe dient te worden veroordeeld. Deze vordering zal als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.
4.8.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
bepaalt dat de man uit hoofde van zijn verplichting tot pensioenverevening vanaf 1 juli 2015 iedere maand uiterlijk op de eerste van de maand een bedrag ad € 79,78 bruto te vermeerderen met de periodiek door het pensioenfonds vast te stellen indexatie aan de vrouw dient te voldoen,
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
5.4.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Gaertman en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2016.