Verzoeker is in bewaring gesteld en verblijft in een psychiatrische instelling vanwege een maniforme psychose in het kader van schizofrenie. Hij klaagt tegen de toediening van dwangmedicatie (haloperidol), stellende dat hij niet psychotisch is en geen gevaar vormt. Verzoeker baseert zich op zijn geloof en stelt dat de medicatie onnodige bijwerkingen heeft.
De instelling verdedigt het gebruik van medicatie vanwege het aanhoudende psychotische gedrag van verzoeker zonder medicatie, het gevaar voor medepatiënten en de noodzaak om terugkeer naar zelfstandigheid mogelijk te maken. De rechtbank beoordeelt of de dwangmedicatie voldoet aan de vereisten van subsidiariteit, proportionaliteit en doelmatigheid.
Uit het dossier blijkt dat verzoeker psychotisch is en dat er binnen en buiten de inrichting gevaar is voor psychische schade, agressie en sociale teloorgang. De medicatie is noodzakelijk om deze risico's te beperken. De rechtbank oordeelt dat de dwangmedicatie zorgvuldig is afgewogen en de minst ingrijpende effectieve maatregel is.
De klacht wordt ongegrond verklaard, het verzoek tot schorsing van de behandeling en de proceskostenveroordeling worden afgewezen. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland op 15 augustus 2016.