Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2016 in de zaak tussen
Procesverloop
[adres 1] te [gemeente] (de recreatiewoning) voor 1 maart 2016 te beëindigen en beëindigd te houden, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere maand of deel van de maand dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 50.000,- .
Overwegingen
Eisers zijn eigenaar van de recreatiewoning. Verweerder heeft eerder een dwangsom van
€ 25.000,- van eisers ingevorderd, vanwege overtreding van een in 2011 aan hen opgelegde last om de permanente bewoning van de recreatiewoning te staken en gestaakt te houden.
In artikel 3.1 van de planregels is bepaald dat deze gronden onder meer zijn bestemd voor verblijfsrecreatie in de vorm van recreatief (nacht)verblijf in recreatiewoningen.
In artikel 3.4.1 van de planregels is bepaald dat deze gronden niet mogen worden gebruikt voor het gebruik van recreatiewoningen voor permanente bewoning.
Op grond van 1.24 van de planregels wordt onder recreatief verblijf verstaan ‘verblijf en recreatie door bij voorkeur wisselende gezinnen of daarmee gelijkstaande personen of groepen van personen, die hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben.’
Op grond van 1.22 van de planregels wordt onder permanente bewoning verstaan ‘bewoning van een verblijf als hoofdverblijf’.
Op grond van artikel 6 van Pro het EVRM heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.