De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 21 december 2016 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het telen van hennepplanten en het voorhanden hebben van goederen bestemd voor hennepteelt. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was voor betrokkenheid van verdachte bij de hennepplantages. Daarnaast werd vastgesteld dat een van de ten laste gelegde feiten, namelijk het voorhanden hebben van goederen ter voorbereiding van hennepteelt, plaatsvond voordat de betreffende wetsbepaling (artikel 11a Opiumwet) in werking trad.
De verdediging voerde aan dat het feit niet strafbaar was ten tijde van het plegen, en het Openbaar Ministerie werd niet-ontvankelijk verklaard voor deze vervolging. Voor het andere feit, het telen van hennep, ontbrak het aan voldoende bewijs om verdachte te veroordelen. De rechtbank sprak verdachte vrij van dit feit.
Verder werden de in beslag genomen goederen die gebruikt konden zijn bij de hennepteelt onttrokken aan het verkeer op grond van artikel 36d Wetboek van Strafrecht. De rechtbank verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk voor het tweede feit en sprak verdachte vrij voor het eerste feit.