Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2016 in de zaak tussen
(gemachtigden: J.C. Broekhuis mr. J.B.M. Veenhuys),
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Basisschool [naam basisschool] is sinds 1999 gehuisvest op de [adres] te [vestigingsplaats] en sinds 2001 ook op de locatie [adres] te [vestigingsplaats] . Deze laatste locatie is de hoofdlocatie. De locatie [straatnaam] is een tijdelijke discolocatie, waarmee ruimtegebrek in het hoofdgebouw van de school wordt opgevangen. De locatie [straatnaam] is gehuisvest in een gebouw dat wordt omschreven als “schoolwoningen”: het zijn woningen die zijn omgebouwd tot school.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat de voorziening aan de [straatnaam] niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen om goed onderwijs te kunnen geven en zij heeft op 29 januari 2014 daarom een aanvraag gedaan voor nieuwe huisvesting. Verweerder heeft die aanvraag aanvankelijk opgevat als een aanvraag voor permanente uitbreiding. Het toetsingskader voor uitbreiding is te vinden in de Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs 2012 (de Verordening), bijlage I, deel A onder punt 1.3. Omdat eiseres niet aan de daar genoemde criteria voldoet, is de aanvraag afgewezen.
Ter zitting van 9 november 2015 is gebleken dat het eiseres niet gaat om uitbreiding van de locatie, maar om vervanging van de tijdelijke schoolwoningen aan de [straatnaam] in de vorm van vervangende nieuwbouw bij de hoofdlocatie. Hiervoor gelden de voorwaarden van de bijlage I, deel A onder punt 1.2 van de Verordening. Verweerder heeft vervolgens toegezegd om de aanvraag alsnog zo op te vatten als eiseres bedoeld heeft en op het bezwaar van eiseres te beslissen. Het besluit op bezwaar van 8 juni 2015 is ingetrokken.
Verweerder heeft bij het bestreden besluit, als ook ter zitting, gesteld dat de kern van de afwijzing erin is gelegen dat het gebouw aan de [straatnaam] niet in een slechte bouwkundige staat verkeert en dat er daarom geen noodzaak bestaat om de aanvraag van eiseres nu al toe te wijzen.
De rechtbank stelt vast dat eiseres een aanvraag heeft ingediend bij verweerder. In een bestuursrechtelijke aanvraagsituatie, zoals hier aan de orde, ligt de bewijslast in beginsel bij eiseres. Het is dus aan haar om de noodzaak voor vervangende nieuwbouw aan te tonen. Artikel 7, tweede lid, onder c, van de Verordening schrijft voor hoe eiseres de noodzaak voor vervangende nieuwbouw moet onderbouwen. Zij had bij haar aanvraag een bouwkundig rapport moeten voegen, dat is opgesteld door een deskundige. De rechtbank wijst in dit verband op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2096), waarin eveneens is geoordeeld dat de aanvrager de noodzaak voor vervangende nieuwbouw met een deskundigenrapport moet onderbouwen.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
Rechtsmiddel
Bijlage met relevante wet- en regelgeving
Een voorziening in de huisvesting wordt slechts geweigerd, indien:
(…)
De gemeenteraad stelt bij verordening een regeling vast met betrekking tot de oppervlakte en de indeling van schoolgebouwen.
Artikel 7 Inhoud Pro aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige
1.2 Vervangende bouw