De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 1 november 2016 de vordering van het openbaar ministerie tot verlenging van de terbeschikkingstelling van betrokkene, die sinds 2007 onder deze maatregel viel. Na een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege in 2015 liep de terbeschikkingstelling formeel af op 24 oktober 2016. Het openbaar ministerie verzocht om verlenging met één jaar.
Diverse deskundigen, waaronder de reclassering en een forensisch psychiater, werden gehoord. De reclassering adviseerde verlenging vanwege de noodzaak om betrokkene te monitoren in een periode van grote veranderingen. De forensisch psychiater daarentegen achtte het recidiverisico laag en adviseerde geen verlenging. Betrokkene zelf vond verlenging niet nodig en gaf aan open te staan voor professionele hulp.
De rechtbank oordeelde dat het openbaar ministerie ontvankelijk was in haar vordering, ondanks een late opdrachtverstrekking voor het deskundigenrapport. Echter, de rechtbank stelde vast dat het gevaarscriterium voor verlenging niet was vervuld. Gezien het lage recidiverisico en de positieve ontwikkelingen bij betrokkene, wees de rechtbank de vordering af. Hiermee sluit de uitspraak aan bij de materiële bedoeling van de wetgever en het belang van betrokkene om onder begeleiding in de maatschappij te blijven.