Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 december 2016 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiseres 2] , te [woonplaats] , eisers
Achmea Divisie Zorg en Gezondheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
- Uit het strafrechtelijk onderzoek komt naar voren dat gelden die op de privé-bankrekening van [C] zijn overgemaakt niet voor zorg aan de budgethouder zijn besteed. Het werd of verdeeld tussen de ouders en [C] of het werd benut voor zorg aan anderen dan de budgethouder in kwestie;
- De ouders van [voornaam van eiser 1] en [voornaam van eiseres 2] zijn als verdachte aangemerkt voor het valselijk opmaken van verantwoordigingsformulieren op naam van de kinderen. Bij het transactiegesprek taakstraf op 25 september 2014 met de officier van justitie heeft de officier van Justitie wettig en overtuigend bewezen geacht dat zij zich beiden schuldig hebben gemaakt aan verduistering van pgb geld. In dit kader heeft de heer [A] een werkstraf van 15 uur geaccepteerd en mevrouw [B] een werkstraf van 50 uur;
- Eisers hebben in de periode in geding in totaal een bedrag van € 8.000 overgemaakt naar de privé-bankrekening van [C] . [C] heeft in totaal een bedrag van € 9.300,- teruggestort vanaf haar privé-bankrekening naar eisers;
- Eisers zijn een van de 48 budgethouders genoemd onder 4.3 van het vonnis van 18 april 2014. Dit staat niet ter discussie;
Omdat het vaststellingsbesluit een definitieve aanspraak op financiële middelen vestigt, moet een dergelijk besluit in beperktere mate intrekbaar zijn dan een verleningsbesluit. Ten tijde van de vaststelling kan al worden beoordeeld of de activiteiten hebben plaatsgevonden en de verplichtingen zijn nagekomen. Daarom is in artikel 4:49, eerste lid, onder a, van de Awb bepaald, dat de vaststelling op deze gronden slechts kan worden ingetrokken, voor zover de desbetreffende feiten of omstandigheden het bestuursorgaan bij de vaststelling niet bekend konden zijn (Kamerstukken II, 1993/94, 23 700, nr. 3, blz. 77 en Centrale Raad van Beroep, 16 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1398)).
En van die andere facturen hadden wij inderdaad half half gedaan, dus jij had facturen nog gemaakt vorig j 2600 euro, Ik die aan jou betaald, maar wij krijgen dus nog steeds de helft, die 1300 euro.”. De rechtbank is dan ook van oordeel dat hieruit volgt dat er afstemming plaatsvond over het opstellen van de facturen en de manier waarop deze werden verantwoord richting verweerder.