Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De door verzoekers niet nader aangeduide onderneming met de handelsnaam
Hollandsche Disconto Voorschotbank N.V.,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoekers hebben een verzoek ingediend tot vaststelling van een dwangakkoord op grond van artikel 287a van de Faillissementswet, gericht tegen meerdere schuldeisers waaronder HDV en een onderneming met de handelsnaam [verweerster sub 1]. Het verzoek tegen laatstgenoemde is komen te vervallen omdat deze schuldeiser alsnog instemde met het aanbod.
De schuldenlast van verzoekers bestaat uit preferente en concurrente vorderingen, waarbij HDV als tweede hypotheekhouder een concurrente vordering heeft. Verzoekers boden een schuldregeling aan waarbij concurrente schuldeisers 18,6% van hun vordering ontvangen, de preferente schuldeiser het dubbele. HDV weigerde instemming met het aanbod omdat zij het te laag achtte gezien de jonge leeftijd van verzoekers en het behoud van hun woning en auto.
De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat schuldeisers met gelijke rechten gelijk behandeld moeten worden, conform artikel 3:277 BW Pro. Omdat de waarde van de woning nog niet definitief is vastgesteld en de rangorde tussen eerste en tweede hypotheekhouder blijft gelden, is het niet gerechtvaardigd om HDV als gewone concurrente schuldeiser te behandelen. Hierdoor voldoet het aanbod niet aan het gelijkheidsbeginsel en is de weigering van HDV redelijk.
Het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord wordt daarom afgewezen. Verzoekers handhaven hun verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering, waarover bij afzonderlijk vonnis zal worden beslist.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord wordt afgewezen wegens ongelijke behandeling van schuldeisers.