In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om een bezwaar en beroep tegen een aanslag precariobelasting voor het jaar 2015. De aanslag is opgelegd aan [bedrijfsnaam 2] B.V., terwijl ook N.V. [bedrijfsnaam 1] bezwaar maakte en beroep instelde. De rechtbank stelt vast dat N.V. [bedrijfsnaam 1] geen belanghebbende is in de zin van artikel 26a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), omdat de aanslag niet aan haar is gericht.
De rechtbank overweegt dat artikel 26a AWR een beperking aanbrengt in wie beroep kan instellen tegen belastingaanslagen. Alleen degene aan wie de aanslag is opgelegd, degene die de belasting heeft voldaan of ingehouden, of degene tot wie de beschikking zich richt, kan beroep instellen. N.V. [bedrijfsnaam 1] valt niet onder deze categorieën en kan ook niet op grond van het tweede lid van artikel 26a AWR beroep instellen, omdat er geen sprake is van toerekening van inkomens- of vermogensbestanddelen.
De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie die deze uitleg ondersteunt en verwerpt het betoog van eiseres dat er sprake zou zijn van een onvoorziene leemte in de rechtsbescherming. De aanslag is immers gericht aan [bedrijfsnaam 2] B.V., die bezwaar- en beroepsgerechtigd is. Daarom verklaart de rechtbank het beroep van N.V. [bedrijfsnaam 1] ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar.