ECLI:NL:RBMNE:2017:1923

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 maart 2017
Publicatiedatum
14 april 2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4204
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:74 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit handhaving illegale bouwwerken en hernieuwde beslissing opgelegd

Eiser verzocht de gemeente Utrechtse Heuvelrug handhavend op te treden tegen drie illegale bouwwerken op zijn perceel. De gemeente wees dit verzoek op 2 april 2015 af en verklaarde het bezwaar ongegrond op 3 juli 2015. Eiser stelde beroep in bij de rechtbank Midden-Nederland.

De rechtbank gaf in een tussenuitspraak van september 2016 aan dat de gemeente onvoldoende had gemotiveerd waarom zij niet handhavend zou optreden tegen bouwwerken 3 en 5. De gemeente kreeg de gelegenheid om dit te herstellen, maar maakte hier geen gebruik van.

De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover het weigert handhavend op te treden tegen bouwwerken 3 en 5. De gemeente moet binnen zes weken opnieuw op het bezwaar beslissen, met inachtneming van de eerdere overwegingen. Bij overschrijding van deze termijn verbeurt de gemeente een dwangsom van €100 per dag, met een maximum van €15.000.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank de gemeente in de proceskosten van eiser, begroot op €505,66, en draagt zij op het betaalde griffierecht van €167 te vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter Van Amstel op 6 maart 2017.

Uitkomst: Het besluit van de gemeente wordt vernietigd en zij moet binnen zes weken opnieuw beslissen met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 15/4204

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerder
(gemachtigde: mr. E.T.E. Kemperman).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [derde-partij 1] en [derde-partij 2] , beiden te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2015 heeft verweerder het verzoek van eiser om handhavend op te treden tegen een drietal bouwwerken (bouwwerk 1, 3 en 5 op de door eiser met zijn verzoek overgelegde situatieschets) op het perceel [adres] in [woonplaats] (het perceel) afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 3 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het beroep met zaaknummer UTR 16/309, plaatsgevonden op 4 mei 2016. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. [derde-partij 1] is verschenen, bijgestaan door zijn zus.
Bij tussenuitspraak van 6 september 2016, verzonden 12 september 2016, (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
Verweerder heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
De rechtbank heeft bij brief van 19 december 2016 aan partijen medegedeeld dat het onderzoek wordt gesloten en dat zij uitspraak zal doen.

Overwegingen

Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak, waarin een oordeel is gegeven over het bestreden besluit. De rechtbank neemt over en blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en overweegt verder als volgt.
In de tussenuitspraak is beslist dat verweerder voor wat betreft bouwwerk 3 en 5 onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding is om handhavend op te treden. Het bestreden besluit is om die reden in strijd met artikel 3:2 en Pro 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genomen. Verweerder heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak geen reactie aan de rechtbank gestuurd. Daaruit leidt de rechtbank af dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de in de tussenuitspraak genoemde gebreken te herstellen. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt, op grond van de overwegingen die zijn vermeld in de tussenuitspraak, vernietigd voor zover daarbij is geweigerd handhavend op te treden tegen bouwwerk 3 en 5.
Aangezien het bestreden besluit voortkomt uit de aan verweerder toegekende bevoegdheid om handhavend op te treden en wordt vernietigd vanwege een motiveringsgebrek, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. Het is dan ook aan verweerder om opnieuw op het bezwaar van eiser, voor zover dit betreft bouwwerk 3 en 5, te beslissen. Verweerder dient binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar van eiser voor zover dit betreft bouwwerk 3 en 5, met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak en in deze uitspraak is overwogen.
De rechtbank ziet, gelet op het uitblijven van een reactie van verweerder om tot een deugdelijk gemotiveerd besluit te komen waarbij wordt ingegaan op de bezwaren van eiser, aanleiding om op grond van artikel 8:72, zesde lid, van de Awb te bepalen dat verweerder een dwangsom ten bedrage van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.
Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser in beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) begroot op € 495,- (1 punt voor het indienen van de gronden van beroep door mr. S. Haak, waarde per punt € 495,-) als kosten voor verleende rechtsbijstand. Als reiskosten van eiser komen op grond van artikel 2 van Pro het Bpb voor vergoeding in aanmerking de kosten per openbaar middel van vervoer laagste klasse. Dit leidt tot een vergoeding van € 10,66. De totale vergoeding voor de proceskosten bedraagt dus (€ 495 +
€ 10,66 =) € 505,66. Op grond van artikel 8:74 van Pro de Awb dient verweerder ook het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden. Op het in bezwaar gedane verzoek om vergoeding van proceskosten dient verweerder bij het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar te beslissen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 3 juli 2015, voor zover daarbij is geweigerd handhavend op te treden tegen bouwwerk 3 en 5;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 2 april 2015, voor zover dit betreft bouwwerk 3 en 5, met inachtneming van de tussenuitspraak en deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 505,66;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M.M. van Amstel, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.K. van de Poel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2017.
(De griffier is verhinderd
de uitspraak te tekenen.)
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.