Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
de burgemeester van de gemeente Soest, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
1 januari 2017. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker na de datum van het bestreden besluit hiervan mededeling heeft gedaan aan verweerder. Verzoeker heeft – eveneens na 2 februari 2017 – een nieuwe aanvraag gedaan voor een drank- en horecavergunning voor [eetcafe] . Verweerder had ten tijde van de zitting nog geen besluit genomen op deze aanvraag. De aanvraag maakt geen onderdeel uit van de onderhavige procedure.
[verzoeker] als leidinggevende van slecht levensgedrag is. Deze [verzoeker] was immers als leidinggevende vermeld op de drank- en horecavergunning en het gaat er om of verweerder kon concluderen dat hij in enig opzicht van slecht levensgedrag was. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de eis van het niet van slecht levensgedrag zijn in de wet is opgenomen, omdat aan leidinggevende personen in horecabedrijven met betrekking tot hun levensgedrag bijzondere, meer dan gemiddelde eisen dienen te worden gesteld. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 22 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA0629), gelden er geen beperkingen ten aanzien van de feiten of omstandigheden die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. Een strafrechtelijke veroordeling is daarbij niet vereist en het hoeft niet uitsluitend feiten en omstandigheden te betreffen die betrekking hebben op de exploitatie van een inrichting. Voorts mogen bij de beoordeling van het levensgedrag feiten die dateren van voor de verlening van de exploitatievergunning worden betrokken.