Uitspraak
1.De procedure
- de schriftelijke reactie van mr. A.M.M.E. Doekes – Beijnes;
- de schriftelijke reactie van de officier van justitie, mr. B. van Duijn.
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen de rechter die in strafzaken met parketnummers 16-243691-16, 16-243693-16 en 16-243695-16 betrokken was. Zij stelden dat de rechter onterecht weigerde een onafhankelijke getuige alsnog te horen, wat volgens hen essentieel was voor het onderbouwen van het noodweerverweer. Verzoekers vreesden daardoor vooringenomenheid van de rechter.
De rechter stelde dat het hier een procesbeslissing betrof waartegen geen wrakingsgrond bestaat en dat het verdedigingsbelang onvoldoende was onderbouwd. De officier van justitie ondersteunde dit standpunt en benadrukte dat het horen van de getuige niet relevant was voor de strafrechtelijke beoordeling.
De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 512 Sv Pro en het EVRM, waarbij onpartijdigheid van de rechter centraal staat. Uit de motivering en omstandigheden bleek geen zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid. Het niet horen van de getuige werd als een begrijpelijke procesbeslissing gezien, die niet leidt tot het vermoeden van partijdigheid.
De wrakingskamer verklaarde het verzoek daarom ongegrond en bepaalde dat de procedure in de strafzaken wordt voortgezet zoals die was voor de schorsing vanwege het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt ongegrond verklaard en de strafprocedure wordt voortgezet.