De zaak betreft een geschil tussen Noorderbreedte B.V. en een voormalig topfunctionaris over de toepassing van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) bij doorbetaling van loon tijdens non-activiteit.
De werknemer werd in december 2015 op non-actief gesteld en er werd een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij het dienstverband eindigde per 1 september 2016. Tijdens de non-activiteitsperiode werd loon doorbetaald. Noorderbreedte vorderde terugbetaling van een deel van dat loon en emolumenten als onverschuldigd betaald, omdat de totale vergoeding het WNT-maximumbedrag zou overschrijden.
De kantonrechter stelde vast dat de werknemer als topfunctionaris in de zin van de WNT moet worden aangemerkt, mede op basis van een rapport van het CIBG dat door de moederorganisatie werd erkend. Vervolgens werd beoordeeld of het doorbetaalde loon en de beëindigingsvergoeding onder de overgangsregeling van artikel 7.3 lid 6 WNT vallen. De kantonrechter oordeelde dat dit het geval is, omdat de arbeidsovereenkomst en de vaststellingsovereenkomst vóór de inwerkingtreding van de WNT waren gesloten en het beding over doorbetaling tijdens non-activiteit expliciet was opgenomen.
Ook de vergoeding van kosten rechtsbijstand werd niet als onverschuldigde betaling aangemerkt, tenzij sprake zou zijn van misbruik, wat niet was gebleken. De vordering van Noorderbreedte tot terugbetaling werd daarom afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.