De zaak betreft een verzoek tot wijziging van de zorg- en omgangsregeling voor twee minderjarige kinderen die sinds 2014 onder toezicht zijn gesteld en met een machtiging tot uithuisplaatsing verblijven bij een netwerkpleeggezin. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit. De gecertificeerde instelling (GI) en de moeder hebben elk afzonderlijk een verzoek ingediend om de omgangsregeling te wijzigen.
De GI verzocht om de omgang te beperken tot eens per drie weken 2,5 uur begeleid contact bij de moeder thuis, terwijl de moeder een zelfstandig verzoek deed voor onbegeleid contact eens per week gedurende vier uur in het weekend. Beide partijen baseerden hun verzoeken onterecht op artikel 1:265g BW, terwijl artikel 1:265f BW van toepassing is op uithuisgeplaatste kinderen.
De rechtbank oordeelt dat de GI bevoegd is om zonder voorafgaande rechterlijke toestemming de contactregeling te wijzigen en dat de moeder eerst de GI had moeten verzoeken tot wijziging voordat zij naar de rechter kon stappen. Hierdoor zijn beide verzoeken niet ontvankelijk. Tevens vindt de rechtbank dat de GI haar verzoek onvoldoende inhoudelijk heeft onderbouwd.
De beschikking wijst de verzoeken af en bevestigt dat de huidige regeling gehandhaafd blijft. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.