Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 6 juni 2017 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats 1] , eiser
[derde belanghebbende], te [woonplaats 2] , gemachtigde: mr. M.L.W.A. Gelens.
Rechtbank Midden-Nederland
De werknemer was sinds oktober 2012 ziek gemeld en ontving een loonsanctie opgelegd aan de werkgever wegens onvoldoende re-integratie. De werkgever heeft meerdere malen verzocht om bekorting van deze loonsanctie, waarbij het UWV aanvankelijk weigerde vanwege onvoldoende re-integratie-inspanningen. Na aanvullend onderzoek en rapporten van arbeidsdeskundigen concludeerde het UWV dat de werkgever alle mogelijke inspanningen had verricht en dat de loonsanctie daarom per 11 augustus 2015 kon worden beëindigd.
De werknemer stelde dat hij niet tegenwerkte en dat de werkgever hem juist tegenwerkte, wat tot een terugval leidde. De rechtbank stelde vast dat de werknemer geen medische gegevens aanleverde ter onderbouwing en geen bezwaar maakte tegen de conclusie dat hij niet meewerkte aan het re-integratietraject. De rapporten toonden aan dat de werknemer niet reageerde op verzoeken van de werkgever en bedrijfsarts en geen sollicitatieactiviteiten kon aantonen.
De rechtbank oordeelde dat de werkgever voldoende inspanningen had geleverd en dat het UWV de loonsanctie terecht had bekort. Het beroep van de werknemer werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van de werknemer tegen de bekorting van de loonsanctie wordt ongegrond verklaard.