ECLI:NL:RBMNE:2017:2998
Rechtbank Midden-Nederland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige machtiging wegens onvoldoende onderzoek alternatieven en twijfel aan onafhankelijkheid psychiater
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 22 mei 2017 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een voorlopige machtiging voor het verblijf van betrokkene na afloop van een ISD-maatregel. De rechtbank nam kennis van de geneeskundige verklaring en hoorde betrokkene, zijn advocaat, een psychiater en een GZ-psycholoog.
De advocaat van betrokkene voerde aan dat de psychiater die de verklaring had ondertekend niet onafhankelijk was, omdat hij betrokken was bij de behandeling en meerdere malen formulieren voor afzonderingsmaatregelen had getekend. Tevens stelde de advocaat dat alternatieven zoals begeleid wonen met toezicht via een enkelband onvoldoende waren onderzocht, ondanks dat dit bij de tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel aan de orde was geweest. Ook was er onduidelijkheid over de concrete plannen en de datum van plaatsing bij de beoogde instelling.
De psychiater stelde dat de ondertekenaar van de verklaring niet actief bij de behandeling betrokken was en dat er binnenkort een zorgconferentie zou plaatsvinden om alternatieven te bespreken. De rechtbank oordeelde echter dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting onvoldoende bleek dat passende alternatieven waren onderzocht en dat de noodzaak van de voorlopige machtiging als ultimum remedium onvoldoende was onderbouwd.
Daarnaast volgde de rechtbank de stelling van de advocaat dat de psychiater die de verklaring had ondertekend niet onafhankelijk was, omdat het tekenen van afzonderingsformulieren onderdeel is van de behandeling. Gezien deze overwegingen wees de rechtbank het verzoek tot voorlopige machtiging af.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige machtiging wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van noodzaak en twijfel aan onafhankelijkheid van de psychiater.