Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2017:3619

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 juni 2017
Publicatiedatum
13 juli 2017
Zaaknummer
C/16/296429 JE RK10-2778
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige wegens criminele invloeden

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2001, wegens zijn contacten met jongeren die betrokken zijn bij criminele activiteiten. De minderjarige verblijft bij zijn moeder, die vanwege eigen beperkingen onvoldoende in staat is hem te begeleiden. De ouders hebben onvoldoende zicht op zijn gedrag en bagatelliseren politiecontacten.

De rechtbank oordeelde dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is om verdere afglijding in het criminele circuit te voorkomen. De problematiek is ernstig en hulpverlening in ambulante vorm is niet van de grond gekomen. Daarom wordt de minderjarige voor twaalf maanden onder toezicht gesteld.

Daarnaast is de uithuisplaatsing in een jeugdhulpaccommodatie noodzakelijk om hem de benodigde structuur en begeleiding te bieden. Door het gebrek aan probleembesef bij de ouders wordt een ambulante aanpak niet effectief geacht. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt eveneens voor twaalf maanden verleend, met ingang van 29 juni 2017.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden door belanghebbenden worden aangevochten via hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De rechtbank stelt de minderjarige onder toezicht en verleent machtiging tot uithuisplaatsing voor twaalf maanden wegens criminele contacten en gebrek aan opvoedingsstructuur.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht
Zittingsplaats: Utrecht
Zaakgegevens : C/16/296429 JE RK10-2778
Datum uitspraak: 28 juni 2017(ondertoezichtstelling) en 29 juni 2017 (machtiging uithuisplaatsing)

Beschikking ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

in de zaak van

Raad voor de Kinderbescherming, Midden-Nederland, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Utrecht.
betreffende

[minderjarige] , geboren [2001] te [geboorteplaats].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[vader], hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats], en

[moeder], hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats].

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 1 juni 2017, ingekomen bij de griffie op 2 juni 2017;
- het faxbericht van 22 juni 2017 van mr. H.L.D. van Holland.
Op 28 juni 2017 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn:
- de minderjarige [minderjarige], die apart is gehoord,
- de ouders, bijgestaan door mr. H.L.D. van Holland,
- de heer [A] namens de Raad,
- mevrouw [B] namens de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (verder: de GI).

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door beide ouders.
[minderjarige] verblijft bij zijn moeder.

Het verzoek

De Raad heeft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verzocht voor de duur van twaalf maanden.
Tevens wordt de uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verzocht, eveneens voor twaalf maanden.

Het standpunt van de verzoeker

De Raad heeft ter zitting verwezen naar het verzoek dat is ingediend. De Raad heeft voorts verklaard dat het noodzakelijk is dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst, bij voorkeur bij Lijn 5. De uithuisplaatsing is noodzakelijk om [minderjarige] uit de invloedsfeer van criminele vrienden te halen en om hem de nodige structuur en begeleiding te bieden zodat hij zijn vervolgopleiding op een goede manier kan volgen.
Wanneer de ots en de uithuisplaatsing niet worden toegewezen is de kans groot dat [minderjarige] verder zal afglijden in het criminele circuit. Doordat hij licht verstandelijk beperkt is, is [minderjarige] gemakkelijk beïnvloedbaar en wordt hij door andere jongens ingezet bij het plegen van strafbare feiten. De ouders hebben onvoldoende zicht op wat [minderjarige] doet en bagatelliseren de politiecontacten.

Het standpunt van belanghebbenden

Door en namens de ouders is geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot een ondertoezichtstelling. Er is wel verweer gevoerd tegen het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige].
De ouders erkennen dat het een periode niet goed is gegaan met [minderjarige] maar zij hebben met de oudere kinderen in het gezin afgesproken dat iedereen goed op [minderjarige] gaat letten. Een uithuisplaatsing zou alleen maar averechts werken, aldus de ouders.

De beoordeling

Ten aanzien van de ondertoezichtstelling
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is.
[minderjarige] heeft contacten met jongeren die zich bezighouden met criminele activiteiten. Het gevaar bestaat dat hij (verder) afglijdt in het criminele circuit. De ouders van [minderjarige] hebben onvoldoende besef van en inzicht in deze problematiek. Bovendien is de hoofdopvoeder van [minderjarige], de moeder, mede door haar eigen beperkingen, niet in staat het gedrag van haar zoon bij te sturen. [minderjarige] heeft veel van school verzuimd. Dat is zorgelijk, hoewel het daarnaast een kracht van [minderjarige] is dat hij desondanks zijn diploma heeft behaald. De ouders hebben hier niet dan wel onvoldoende op weten in te grijpen. Zij zijn niet in staat om de noodzakelijke structuur, controle en begrenzing te bieden.
Hulpverlening is niet van de grond gekomen, terwijl deze gelet op de ernst van de problematiek, dringend geboden is.
De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande blijkt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
Op dit moment zijn de bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] waaraan in ieder geval gewerkt moet worden:
  • De politiecontacten van [minderjarige] en zijn contacten met jongeren die zich bezighouden met criminele activiteiten;
  • Het gebrek aan besef van en inzicht in de ernst van de problematiek bij de ouders en hun onvermogen om een en ander bij te sturen;
De rechtbank zal daarom [minderjarige] onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden. Gelet op de ernst van de problematiek is de rechtbank van oordeel dat niet met een kortere termijn kan worden volstaan.
Ten aanzien van de uithuisplaatsing
Uit de overlegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat het dringend noodzakelijk is dat [minderjarige] in een andere omgeving wordt geplaatst, waar hem de nodige structuur, hulp en begeleiding worden geboden. Gelet op het gebrek aan probleembesef bij de ouders valt niet te verwachten dat hulp in het ambulante kader alsnog tot de gewenste gedragsverandering bij [minderjarige] zal leiden. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en de opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). Ten aanzien van de duur van de te verlenen machtiging overweegt de rechtbank het volgende. Ondanks dat er een onmiddellijke plaatsing nodig zou zijn is er voor de beoogde plaatsing een wachtlijst. Er zal voorts gewerkt moeten worden aan motivatie en acceptatie bij zowel [minderjarige] als de ouders. Ook is de verwachting dat, gelet op de ernst van de problematiek, met de beoogde gedragsverandering de nodige tijd gemoeid zal zijn. De rechtbank zal de machtiging tot uithuisplaatsing dan ook verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De beslissing

De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 28 juni 2017 tot 28 juni 2018;
verleent machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder, met ingang van 29 juni 2017, voor de duur van de ondertoezichtstelling;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
Deze beschikking is gegeven door mr. P.J.G. van Osta, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Dolieslager als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28, resp. 29 juni 2017.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden