Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De beoordeling
600,00
Rechtbank Midden-Nederland
De werknemer, sinds 2010 in dienst als beroepsmatig verkeersregelaar met een chronische spierziekte, werd op 24 april 2017 op staande voet ontslagen wegens vermeende dringende redenen die door de werkgever niet konden worden onderbouwd. Na ziekte en herstel in oktober 2016 werd de werknemer niet meer uitgenodigd om te werken en was er sprake van een verstoorde arbeidsrelatie.
De werknemer verzocht de kantonrechter om vernietiging van het ontslag en betaling van een billijke vergoeding conform artikel 7:681 BW Pro, loon over de opzegtermijn en de transitievergoeding. De werkgever erkende het ontbreken van een dringende reden en dat het ontslag onrechtmatig was, maar betwistte de hoogte van de vergoeding.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag vernietigbaar was en dat de werkgever ernstig verwijtbaar had gehandeld door geen re-integratie te faciliteren en de arbeidsovereenkomst geforceerd te beëindigen. De billijke vergoeding werd vastgesteld op een jaarloon, rekening houdend met leeftijd, beperking en arbeidsmarktpositie van de werknemer. Tevens werd loon over de opzegtermijn en transitievergoeding toegewezen, evenals incassokosten en proceskosten.
Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van billijke vergoeding, loon over opzegtermijn en transitievergoeding na onterecht ontslag op staande voet.