De rechtbank Midden-Nederland behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort om een omgevingsvergunning te verlenen voor het wijzigen van het gebruik van panden ten behoeve van kamerverhuur. Het college had het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, waarna eiser beroep instelde.
In een tussenuitspraak van 19 oktober 2016 oordeelde de rechtbank dat het bestreden besluit in strijd was met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank gaf het college de mogelijkheid om de gebreken te herstellen, maar het college maakte hier geen gebruik van.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit vanwege een motiveringsgebrek. Het college wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak en de tussenuitspraak.
De rechtbank veroordeelt het college in de proceskosten van eiser, begroot op €744,-, en draagt op het griffierecht van €168,- aan eiser te vergoeden. Het verzoek om vergoeding van kosten van juridische bijstand wordt aan het college gelaten bij het nieuwe besluit op bezwaar.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.