Schuldenaar werd in 2013 failliet verklaard en later in 2016 toegelaten tot een schuldsaneringsregeling. Tijdens de regeling kwam via een verificatievergadering aan het licht dat de schuld aan het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) aanzienlijk hoger was dan aanvankelijk bekend, met in totaal 19 boetebeschikkingen waarvan slechts acht bekend waren bij de curator.
De rechtbank beoordeelde of deze nieuwe feiten, die al bestonden ten tijde van de toelatingsbeslissing maar toen niet bekend waren, reden zouden zijn geweest om het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af te wijzen. Geconstateerd werd dat schuldenaar niet te goeder trouw was geweest bij het ontstaan van de schulden, omdat hij herhaaldelijk zonder vergunning vreemdelingen tewerkstelde en geen maatregelen nam om boetes te voorkomen.
Desondanks achtte de rechtbank voldoende aannemelijk dat schuldenaar niet opzettelijk informatie heeft verzwegen, mede omdat hij bij de faillissementsaangifte wel melding maakte van de volledige schuld aan het Ministerie van SZW en de curator en bewindvoerder niet volledig inzicht konden krijgen in de vorderingen.
Gezien deze uitzonderlijke omstandigheden en het feit dat schuldenaar zich tijdens de regeling aan zijn verplichtingen heeft gehouden, besloot de rechtbank de schuldsaneringsregeling niet tussentijds te beëindigen maar te verlengen met de maximale duur van twee jaar, tot 31 augustus 2021.