Op 23 mei 2017 verleende het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemnes een omgevingsvergunning aan een derde partij voor het oprichten van een nieuwe bedrijfshal op een perceel te Eemnes. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
Tijdens de zitting op 27 juli 2017 werd vastgesteld dat verzoekster vooralsnog als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) werd aangemerkt, hoewel nader onderzoek nodig is. De voorzieningenrechter beoordeelde verschillende bezwaren van verzoekster, waaronder het ontbreken van een verkennend archeologisch booronderzoek, de verouderde ecologische onderzoeken en de toepassing van binnenplanse afwijkingsmogelijkheden.
Uit een aanvullend archeologisch advies bleek dat geen archeologische waarden worden geschaad. Ook het ecologisch onderzoek van Tauw concludeerde dat geen overtreding van de Wet natuurbescherming te verwachten is. De voorzieningenrechter oordeelde dat de omgevingsvergunning alleen betrekking had op bouwen en niet op gebruik, waardoor het bezwaar over detailhandel niet slaagde.
Een gebrek werd vastgesteld ten aanzien van de bouwhoogte van schermen rondom de parkeerruimte, die hoger zijn dan toegestaan, maar dit werd als een ondergeschikt gebrek beschouwd dat eenvoudig kan worden hersteld. Gezien deze overwegingen wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en oordeelde dat het primaire besluit in de bezwaarfase in stand kan blijven.