Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het tussenvonnis van 27 september 2017, waarin een comparitie van partijen is gelast;
- het proces-verbaal van comparitie van 4 oktober 2017.
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een civielrechtelijke procedure tussen eiser en Stichting Mitros over een vordering die was opgelost door een schikking. Eiser had met Mitros een regeling getroffen waarbij Mitros €1.300,- betaalde, waarna eiser aan zijn gemachtigde opdracht gaf de procedure in te trekken. De gemachtigde heeft echter de procedure voortgezet en een conclusie van repliek ingediend, stellende dat betaling via zijn derdengeldenrekening had moeten plaatsvinden, wat niet was afgesproken.
Tijdens de comparitie verscheen eiser wel, maar de gemachtigde niet. Eiser verklaarde niet op de hoogte te zijn gesteld van de zitting door zijn gemachtigde en bevestigde dat de zaak was opgelost en dat hij geen vordering meer had. De kantonrechter oordeelde dat de vordering van eiser moest worden afgewezen vanwege de finale kwijting.
Omdat eiser in het ongelijk werd gesteld, zou hij in beginsel in de proceskosten worden veroordeeld. De kantonrechter paste echter artikel 245 Rv Pro toe en veroordeelde de gemachtigde in de proceskosten, omdat deze zonder opdracht van zijn cliënt handelde en de procedure voortzette tegen diens uitdrukkelijke wens in. De kosten aan de zijde van Mitros werden begroot op €450,-.
Uitkomst: De gemachtigde wordt veroordeeld in de proceskosten wegens voortzetting van de procedure zonder opdracht van zijn cliënt.