Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 februari 2017 in de zaak tussen
[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres
de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
De aanleiding van deze procedures
Het beroep met zaaknummer UTR 16/1692
Verweerder heeft verder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat er geen bezwaar openstaat tegen de weigering de ministeriële regeling als bedoeld in artikel 2.5 van de Wnt vast te stellen. De ministeriële regeling is namelijk een algemeen verbindend voorschrift. Het bezwaar van eiseres tegen de weigering de ministeriële regeling vast te stellen is daarom in zoverre kennelijk niet-ontvankelijk.
Verweerder heeft tot slot naar het bestreden besluit 1 verwezen, voor zover het bezwaar van eiseres zich wederom richt tegen de Regeling.
.Bij de toelichting op artikel 2.3 (het huidige artikel 2.4) staat over de mogelijkheid om af te wijken van de norm in artikel 2.2 (het huidige artikel 2.3):
“Dit artikel biedt de basis voor een individuele afwijking van de norm van artikel 2.2 bij de bezoldiging van de topfunctionarissen.[…]
”.Dit wordt nogmaals bevestigd in de derde nota van wijziging bij de WNT-2:
“[…] Artikel 2.5. doet niet af aan de mogelijkheid om in een individueel geval op grond van artikel 2.4 evenals thans reeds mogelijk is een bezoldiging boven het wettelijke bezoldigingsmaximum toe te staan.[…]”.Het betoog van eiseres over het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Dit betoog van eiseres is niet gebaseerd op een juiste rechtsuitleg. Artikel 2.4 van de Wnt maakt, zoals volgt uit de tekst en de parlementaire geschiedenis, geen categorale uitzondering mogelijk. De rechtbank volgt eiseres verder niet in het standpunt dat de brief van 6 november 2015 ook had moeten worden opgevat als individuele verzoeken van haar leden. De brief is immers namens alle leden ingediend en er wordt uitdrukkelijk om een categorale uitzondering verzocht. Daarnaast worden in de brief geen individuele omstandigheden aangevoerd. De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiseres terecht ongegrond heeft verklaard.
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit 2;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit 2 in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan eiseres te vergoeden.